BWBR0032034
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel V
Wijzigingsbesluit Besluit inburgering, enz. (versterking eigen verantwoordelijkheid inburgeringsplichtige)
1. In het tweede tot en met zesde lid wordt verstaan onder:
a. Besluit inburgering:Besluit inburgering zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van dit besluit;
b. Wet inburgering:Wet inburgering zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432).
2. Op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel, b, van de Wet inburgering, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wetop grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wetis aangevangen, blijven de artikelen 2.1 tot en met 2.3, 2.8 tot en met 2.11, hoofdstuk 4, afdelingen 1en 2, hoofdstuk 5en hoofdstuk 6, afdeling 1, van het Besluit inburgeringvan toepassing.
3. Onverminderd het tweede lid blijven de artikelen 4.23en 4.27 van het Besluit inburgeringvan toepassing op de inburgeringsplichtige die houder is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hij voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel Ivan dit besluit inburgeringsplichtig is geworden.
4. Onverminderd het tweede lid blijven de artikelen 4.23, 4.24en 4.27 van het Besluit inburgeringvan toepassing op de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Wet inburgering, die geen oudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van die wet, voor zover hij voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel Ivan dit besluit inburgeringsplichtig is geworden.
5. Op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, voor wie voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geen termijn op grond van artikel 26 van de Wet inburgeringis aangevangen, blijft hoofdstuk 4, afdeling 2, van het Besluit inburgeringvan toepassing tot drie jaar na dat tijdstip. Aan artikel 4.17, derde lid, van het Besluit inburgeringwordt tevens toepassing gegeven indien de inburgeringsplichtige oudkomer slaagt voor het inburgeringsexamen.
6. Hoofdstuk 6, afdeling 1, van het Besluit inburgeringblijft van toepassing op de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de Wet inburgering, die met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de vrijwillige inburgeraar woonplaats heeft in de zin van titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, op grond van artikel 24d van de Wet inburgeringeen overeenkomst heeft gesloten tot het volgen van een inburgeringsvoorziening.
7. Bij regeling van Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel wordt een termijn of worden termijnen vastgesteld, waarbinnen hoofdstuk 3 van het Besluit inburgeringvan toepassing blijft op de in het tweede tot en met vierde lid bedoelde personen van wie in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgeringals gewijzigd door de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige(Stb. 2012, 430) kunnen afleggen, en waarbinnen deze personen het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgeringzoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van die wet, kunnen afleggen.
a. Besluit inburgering:Besluit inburgering zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van dit besluit;
b. Wet inburgering:Wet inburgering zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432).
2. Op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel, b, van de Wet inburgering, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wetop grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wetis aangevangen, blijven de artikelen 2.1 tot en met 2.3, 2.8 tot en met 2.11, hoofdstuk 4, afdelingen 1en 2, hoofdstuk 5en hoofdstuk 6, afdeling 1, van het Besluit inburgeringvan toepassing.
3. Onverminderd het tweede lid blijven de artikelen 4.23en 4.27 van het Besluit inburgeringvan toepassing op de inburgeringsplichtige die houder is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hij voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel Ivan dit besluit inburgeringsplichtig is geworden.
4. Onverminderd het tweede lid blijven de artikelen 4.23, 4.24en 4.27 van het Besluit inburgeringvan toepassing op de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Wet inburgering, die geen oudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van die wet, voor zover hij voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel Ivan dit besluit inburgeringsplichtig is geworden.
5. Op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, voor wie voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geen termijn op grond van artikel 26 van de Wet inburgeringis aangevangen, blijft hoofdstuk 4, afdeling 2, van het Besluit inburgeringvan toepassing tot drie jaar na dat tijdstip. Aan artikel 4.17, derde lid, van het Besluit inburgeringwordt tevens toepassing gegeven indien de inburgeringsplichtige oudkomer slaagt voor het inburgeringsexamen.
6. Hoofdstuk 6, afdeling 1, van het Besluit inburgeringblijft van toepassing op de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de Wet inburgering, die met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de vrijwillige inburgeraar woonplaats heeft in de zin van titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, op grond van artikel 24d van de Wet inburgeringeen overeenkomst heeft gesloten tot het volgen van een inburgeringsvoorziening.
7. Bij regeling van Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel wordt een termijn of worden termijnen vastgesteld, waarbinnen hoofdstuk 3 van het Besluit inburgeringvan toepassing blijft op de in het tweede tot en met vierde lid bedoelde personen van wie in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgeringals gewijzigd door de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige(Stb. 2012, 430) kunnen afleggen, en waarbinnen deze personen het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgeringzoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van die wet, kunnen afleggen.