BWBR0020674
Geldig vanaf 2017-06-26
Artikel 2.1
Besluit inburgering
1. Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:
a. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;
b. studie;
c. seizoenarbeid;
d. lerend werken;
e. arbeid in loondienst;
f. grensoverschrijdende dienstverlening;
g. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
h. arbeid als kennismigrant;
i. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
j. onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801;
k. arbeid als zelfstandige;
l. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;
m. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;
n. medische behandeling;
o. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
p. tijdelijke humanitaire gronden;
q. verblijf als vermogende vreemdeling als bedoeld in artikel 3.29a van het Vreemdelingenbesluit 2000;
r. overplaatsing binnen een onderneming.
2. Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000is bepaald.
3. Het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onderdelen b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000is niet tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen de beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, nader worden uitgewerkt.
a. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;
b. studie;
c. seizoenarbeid;
d. lerend werken;
e. arbeid in loondienst;
f. grensoverschrijdende dienstverlening;
g. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
h. arbeid als kennismigrant;
i. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
j. onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801;
k. arbeid als zelfstandige;
l. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;
m. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;
n. medische behandeling;
o. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
p. tijdelijke humanitaire gronden;
q. verblijf als vermogende vreemdeling als bedoeld in artikel 3.29a van het Vreemdelingenbesluit 2000;
r. overplaatsing binnen een onderneming.
2. Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000is bepaald.
3. Het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onderdelen b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000is niet tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen de beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, nader worden uitgewerkt.