BWBR0020674
Geldig vanaf 2017-06-26
Artikel 7.6
Besluit inburgering
1. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule A = B + [ C x D ] + [ E x F ] + [ G x H ] + [ I x J ] + [ K x L ]
waarin wordt voorgesteld:
– met de letter A: het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage;
– met de letter B: het verleende voorschot op het vaste deel van de rijksbijdrage;
– met de letter C: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een handhavingsbeschikking bekend heeft gemaakt;
– met de letter D: de bijdragevergoeding ten aanzien van de bekendmaking van een handhavingsbeschikking;
– met de letter E: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432), heeft verstrekt;
– met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432);
– met de letter G: het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
– met de letter H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijke bedienaar;
– met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432);
– met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432).
2. Het college verstrekt de gegevens bedoeld in de letters C, E, G, I en K van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswetheeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul.
4. Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, vast.
5. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kunnen worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting.
6. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald.
waarin wordt voorgesteld:
– met de letter A: het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage;
– met de letter B: het verleende voorschot op het vaste deel van de rijksbijdrage;
– met de letter C: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een handhavingsbeschikking bekend heeft gemaakt;
– met de letter D: de bijdragevergoeding ten aanzien van de bekendmaking van een handhavingsbeschikking;
– met de letter E: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432), heeft verstrekt;
– met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432);
– met de letter G: het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
– met de letter H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijke bedienaar;
– met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432);
– met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432).
2. Het college verstrekt de gegevens bedoeld in de letters C, E, G, I en K van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswetheeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul.
4. Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, vast.
5. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kunnen worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting.
6. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald.