BWBR0020674
Geldig vanaf 2017-06-26
Artikel 4.6
Besluit inburgering
1. De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste tien jaren.
2. De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 17, eerste lid, onderdeel a of b, van de wetbedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt.
3. Gedurende de in artikel 17, eerste lid, aanhef, van de wetbedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening.
4. In afwijking van het tweede lid, vangt de terugbetalingsperiode voor een persoon als bedoeld in artikel 4.1aan zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de verstrekking van de lening of, indien dat eerder is, zes maanden nadat aan de inburgeringsplicht is voldaan.
2. De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 17, eerste lid, onderdeel a of b, van de wetbedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt.
3. Gedurende de in artikel 17, eerste lid, aanhef, van de wetbedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening.
4. In afwijking van het tweede lid, vangt de terugbetalingsperiode voor een persoon als bedoeld in artikel 4.1aan zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de verstrekking van de lening of, indien dat eerder is, zes maanden nadat aan de inburgeringsplicht is voldaan.