BWBR0020674
Geldig vanaf 2017-06-26
Artikel 4.2
Besluit inburgering
1. De inburgeringsplichtige heeft, behoudens het bepaalde in artikel 16, eerste lid, tweede zin, van de wet, aanspraak op de lening gedurende de termijn, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet, gedurende de verlengde termijn bedoeld in de artikelen 7a, derde lid, 7b, derde lid, en 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de weten gedurende de termijn, genoemd in de boetebeschikking, bedoeld in de artikelen 29en 32 van de wet. Een persoon als bedoeld in artikel 4.1heeft aanspraak op de lening gedurende drie jaar nadat hij rechtmatig verblijf verkrijgt.
2. Het geleende bedrag wordt niet uitbetaald, indien de inburgeringsplichtige:
a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet basisregistratie personen;
b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a, c, e en l van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. overeenkomstig artikel 16, eerste lid, tweede zin, van de wet geen of niet langer aanspraak heeft op een lening.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de betaling van de lening.
4. Onze Minister verlengt ambtshalve de termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, tweede zin, indien dat noodzakelijk is in verband met de uitbraak van COVID-19.
2. Het geleende bedrag wordt niet uitbetaald, indien de inburgeringsplichtige:
a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet basisregistratie personen;
b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a, c, e en l van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. overeenkomstig artikel 16, eerste lid, tweede zin, van de wet geen of niet langer aanspraak heeft op een lening.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de betaling van de lening.
4. Onze Minister verlengt ambtshalve de termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, tweede zin, indien dat noodzakelijk is in verband met de uitbraak van COVID-19.