BWBR0032690
Geldig vanaf 02-11-2013
Artikel 5
Deelregeling Werkbijdrage Jong Talent
1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een bijdrage talentontwikkeling geeft het bevoegd adviesorgaan op basis van het door de aanvrager ingeleverde documentatiemateriaal en de overige informatie een oordeel over het artistieke functioneren van de aanvrager. Daarbij worden de onderstaande criteria in onderlinge samenhang gehanteerd:
– de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de aanvrager opgebouwde oeuvre en de ontwikkeling daarvan naar verwachting van belang voor de hedendaagse beeldende kunst,
– de onderzoekende en vernieuwende houding van de kunstenaar,
– de manier waarop deze naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk wil vinden en binden,
– de manier waarop hij zijn kunstenaarschap in artistiek en economisch rendement wil omzetten,
– de allianties die de kunstenaar aangaat om zijn werk geproduceerd en getoond te krijgen.
2. Indien het bevoegde adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneren van de aanvrager niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
3. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde prestaties van de aanvrager wel van voldoende belang acht, beoordeelt het het bij de aanvraag behorende presentatie- en werkplan.
4. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang positief beoordeelt brengt het een positief advies uit.
5. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang negatief beoordeelt, brengt het een negatief advies uit.
6. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan in verband met het beperkte budget verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Alsdan onderbouwt het adviesorgaan zijn prioritering.
– de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de aanvrager opgebouwde oeuvre en de ontwikkeling daarvan naar verwachting van belang voor de hedendaagse beeldende kunst,
– de onderzoekende en vernieuwende houding van de kunstenaar,
– de manier waarop deze naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk wil vinden en binden,
– de manier waarop hij zijn kunstenaarschap in artistiek en economisch rendement wil omzetten,
– de allianties die de kunstenaar aangaat om zijn werk geproduceerd en getoond te krijgen.
2. Indien het bevoegde adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneren van de aanvrager niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
3. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde prestaties van de aanvrager wel van voldoende belang acht, beoordeelt het het bij de aanvraag behorende presentatie- en werkplan.
4. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang positief beoordeelt brengt het een positief advies uit.
5. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang negatief beoordeelt, brengt het een negatief advies uit.
6. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan in verband met het beperkte budget verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Alsdan onderbouwt het adviesorgaan zijn prioritering.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0032690
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl