BWBR0032696
Geldig vanaf 01-01-2013
Artikel 4
Deelregeling WBT
1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een werkbijdrage beoordeelt het bevoegde adviesorgaan of het artistiek functioneren van de aanvrager van belang is voor de hedendaagse beeldende kunst. Bij de advisering betrekt het bevoegd adviesorgaan, in onderlinge samenhang, de volgende aspecten.
• de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de kunstenaar opgebouwde oeuvre en de ontwikkeling daarvan,
• de erkenning van het kunstenaarschap van de aanvrager als aspect van het cultureel ondernemerschap,
• de wijze waarop de kunstenaar naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk weet te vinden.
2. Indien het bevoegde adviesorgaan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneren van de aanvrager niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
3. Indien het bevoegd adviesorgaan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneren van de aanvrager wel van voldoende belang acht, beoordeelt het het bij de aanvraag behorende presentatie- en werkplan.
4. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang positief beoordeelt brengt het een positief advies uit.
5. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang negatief beoordeelt brengt het een negatief advies uit.
6. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel zoals bedoeld in het eerste lid en die prioritering te onderbouwen.
• de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de kunstenaar opgebouwde oeuvre en de ontwikkeling daarvan,
• de erkenning van het kunstenaarschap van de aanvrager als aspect van het cultureel ondernemerschap,
• de wijze waarop de kunstenaar naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk weet te vinden.
2. Indien het bevoegde adviesorgaan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneren van de aanvrager niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
3. Indien het bevoegd adviesorgaan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneren van de aanvrager wel van voldoende belang acht, beoordeelt het het bij de aanvraag behorende presentatie- en werkplan.
4. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang positief beoordeelt brengt het een positief advies uit.
5. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang negatief beoordeelt brengt het een negatief advies uit.
6. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel zoals bedoeld in het eerste lid en die prioritering te onderbouwen.
- Wet
- Deelregeling WBT
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0032696
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl