BWBR0034331
Geldig vanaf 2014-01-01
Artikel 10
Wet op de Kamer van Koophandel
1. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de Centrale Raad.
2. Ten hoogste zes uit de kring van ondernemers afkomstige leden worden benoemd op voordracht van de centrale werkgeversorganisaties.
3. Ten hoogste drie uit de kring van werknemers afkomstige leden worden benoemd op voordracht van de centrale werknemersorganisaties.
4. Ten hoogste drie overige leden worden benoemd in het belang van een evenwichtige samenstelling van de Centrale Raad dan wel in het belang van in de raad aanwezige deskundigheid op het gebied van ondernemen en innovatie. Deze leden worden benoemd op voordracht van de Kamer.
5. Voordrachten zijn met redenen omkleed en worden gedaan in overeenstemming met een door de Kamer, gehoord de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties, vastgesteld profiel.
6. Voordrachten als bedoeld in het tweede, derde lid en vierde lid worden gedaan door tussenkomst van de Kamer. De Kamer bepaalt het tijdstip waarop deze voordrachten moeten zijn ontvangen. Indien op dat tijdstip een bepaalde voordracht niet is ontvangen, kan de Kamer de desbetreffende voordracht zelf doen met inachtneming van al naargelang het tweede, derde of vierde lid.
7. De Kamer zendt een voordracht niet aan Onze Minister dan nadat hij heeft vastgesteld dat deze in overeenstemming is met de bepalingen van dit artikel.
2. Ten hoogste zes uit de kring van ondernemers afkomstige leden worden benoemd op voordracht van de centrale werkgeversorganisaties.
3. Ten hoogste drie uit de kring van werknemers afkomstige leden worden benoemd op voordracht van de centrale werknemersorganisaties.
4. Ten hoogste drie overige leden worden benoemd in het belang van een evenwichtige samenstelling van de Centrale Raad dan wel in het belang van in de raad aanwezige deskundigheid op het gebied van ondernemen en innovatie. Deze leden worden benoemd op voordracht van de Kamer.
5. Voordrachten zijn met redenen omkleed en worden gedaan in overeenstemming met een door de Kamer, gehoord de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties, vastgesteld profiel.
6. Voordrachten als bedoeld in het tweede, derde lid en vierde lid worden gedaan door tussenkomst van de Kamer. De Kamer bepaalt het tijdstip waarop deze voordrachten moeten zijn ontvangen. Indien op dat tijdstip een bepaalde voordracht niet is ontvangen, kan de Kamer de desbetreffende voordracht zelf doen met inachtneming van al naargelang het tweede, derde of vierde lid.
7. De Kamer zendt een voordracht niet aan Onze Minister dan nadat hij heeft vastgesteld dat deze in overeenstemming is met de bepalingen van dit artikel.