BWBR0034479
Geldig vanaf 24-12-2013
Artikel 4
Samenwerking Musea
1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor samenwerking geeft het bevoegd adviesorgaan een oordeel over het belang van het voorstel voor het cultureel erfgoed en de hedendaagse beeldende kunst en de burger. Daarbij beoordeelt het of:
– het voorgelegde plan op overtuigende wijze voorbeeld stellend of anderszins bijzonder is;
– de kwaliteit van de positie van de betrokken instellingen van belang is voor cultureel erfgoed en/of de hedendaagse beeldende kunst in Nederland;
– de samenwerking een kwalitatieve en/of kostenbesparende meerwaarde heeft en een duurzaam resultaat oplevert;
– de opgedane kennis ten goede komt aan het museale veld, zodat deze kennis duurzaam geborgd wordt;
– op een inspirerende wijze een passend of een nieuw publiek wordt bereikt, waardoor de relatie tussen het cultureel erfgoed en/of beeldende kunst en de burger wordt versterkt;
– indien van toepassing een grotere zichtbaarheid van de collectie wordt bereikt;
– indien van toepassing het plan leidt tot grotere diversiteit en regionale spreiding.
2. Indien het bevoegde adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aspecten niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
3. Indien het bevoegde adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aspecten wel van voldoende belang acht, komt het tot een positief advies over de aanvraag.
4. Een positief advies kan vergezeld gaan van een aanbeveling over de hoogte van de toe te kennen bijdrage alsmede de periode waarover de financiële bijdrage wordt verstrekt.
5. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel als bedoeld in het eerste lid. Als dan onderbouwt het de prioritering.
– het voorgelegde plan op overtuigende wijze voorbeeld stellend of anderszins bijzonder is;
– de kwaliteit van de positie van de betrokken instellingen van belang is voor cultureel erfgoed en/of de hedendaagse beeldende kunst in Nederland;
– de samenwerking een kwalitatieve en/of kostenbesparende meerwaarde heeft en een duurzaam resultaat oplevert;
– de opgedane kennis ten goede komt aan het museale veld, zodat deze kennis duurzaam geborgd wordt;
– op een inspirerende wijze een passend of een nieuw publiek wordt bereikt, waardoor de relatie tussen het cultureel erfgoed en/of beeldende kunst en de burger wordt versterkt;
– indien van toepassing een grotere zichtbaarheid van de collectie wordt bereikt;
– indien van toepassing het plan leidt tot grotere diversiteit en regionale spreiding.
2. Indien het bevoegde adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aspecten niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
3. Indien het bevoegde adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aspecten wel van voldoende belang acht, komt het tot een positief advies over de aanvraag.
4. Een positief advies kan vergezeld gaan van een aanbeveling over de hoogte van de toe te kennen bijdrage alsmede de periode waarover de financiële bijdrage wordt verstrekt.
5. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel als bedoeld in het eerste lid. Als dan onderbouwt het de prioritering.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0034479
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl