BWBR0043252
Geldig vanaf 08-07-2026
Artikel 13s
Tijdelijke wet Groningen
1. Onze Minister voorziet, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, de Staat van Groningen en Noord-Drenthe van een reactie. Onze Minister zendt de reactie uiterlijk binnen acht weken na het uitbrengen van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe aan beide Kamers der Staten-Generaal.
2. Ten behoeve van de reactie overleggen Onze Minister en Onze Ministers die het mede aangaat met een vertegenwoordiging van gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de provincies Groningen alsmede de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze in de provincie Drenthe, het dagelijks bestuur van de waterschappen Noorderzijlvest alsmede Hunze en Aa’s, de relevante maatschappelijke organisaties en een vertegenwoordiging van bewoners uit de gemeenten, bedoeld in de artikelen 13o en 13p.
3. Het overleg, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats op basis van wederkerigheid ten aanzien van de vertegenwoordiging van gedeputeerde staten van de provincie Groningen, de colleges van de gemeenten en het dagelijks bestuur van de waterschappen, bedoeld in dat lid, en kan worden geïnitieerd door deze bestuursorganen. Onze Minister gaat in de reactie, bedoeld in het eerste lid, gemotiveerd in op de in het overleg door de vertegenwoordigers van de bestuursorganen weergegeven zienswijzen.
4. Indien daartoe op grond van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe, dan wel het overleg, bedoeld in het tweede lid, aanleiding bestaat, wordt in de reactie vermeld welke maatregelen Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, neemt teneinde de tussentijdse doelen en streefwaarden, bedoeld in artikel 13q, derde lid, te bereiken.
5. Het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen en het Adviescollege, bedoeld in artikel 13c, geven ten behoeve van de reactie advies over de Staat van Groningen en Noord-Drenthe.
2. Ten behoeve van de reactie overleggen Onze Minister en Onze Ministers die het mede aangaat met een vertegenwoordiging van gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de provincies Groningen alsmede de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze in de provincie Drenthe, het dagelijks bestuur van de waterschappen Noorderzijlvest alsmede Hunze en Aa’s, de relevante maatschappelijke organisaties en een vertegenwoordiging van bewoners uit de gemeenten, bedoeld in de artikelen 13o en 13p.
3. Het overleg, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats op basis van wederkerigheid ten aanzien van de vertegenwoordiging van gedeputeerde staten van de provincie Groningen, de colleges van de gemeenten en het dagelijks bestuur van de waterschappen, bedoeld in dat lid, en kan worden geïnitieerd door deze bestuursorganen. Onze Minister gaat in de reactie, bedoeld in het eerste lid, gemotiveerd in op de in het overleg door de vertegenwoordigers van de bestuursorganen weergegeven zienswijzen.
4. Indien daartoe op grond van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe, dan wel het overleg, bedoeld in het tweede lid, aanleiding bestaat, wordt in de reactie vermeld welke maatregelen Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, neemt teneinde de tussentijdse doelen en streefwaarden, bedoeld in artikel 13q, derde lid, te bereiken.
5. Het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen en het Adviescollege, bedoeld in artikel 13c, geven ten behoeve van de reactie advies over de Staat van Groningen en Noord-Drenthe.
- Citeren als
- Art. 13s
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0043252
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl