BWBR0043371
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 4.2
Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet
1. Een onherroepelijk voorkeursrecht, gevestigd op grond van artikel 2in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
2. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 2in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswetof als een voorkeursrecht op grond van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordeningzolang nog geen gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswetis vastgesteld.
3. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 2in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, onder c, van de Omgevingswet.
4. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op basis van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
5. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, eerste lid, eerste zin, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
6. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, eerste lid, derde zin, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
7. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 2in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswetof als een voorkeursrecht op grond van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordeningzolang nog geen gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswetis vastgesteld.
3. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 2in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, onder c, van de Omgevingswet.
4. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op basis van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
5. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, eerste lid, eerste zin, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
6. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, eerste lid, derde zin, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
7. Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeentengeldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet.