BWBR0044063
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 2.6
Aanvullingswet natuur Omgevingswet
1. Ontheffingen als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste of derde lid, 3.4, tweede of derde lid, 3.8, eerste, derde of vierde lid, 3.9, tweede lid, 3.10, tweede lidin samenhang met 3.8, eerste lid, artikel 3.32, tweede lid, of 3.34, derde of vijfde lid, en opdrachten als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van de Wet natuurbeschermingdie onherroepelijk zijn, gelden als omgevingsvergunningen voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet.
2. Onderdelen van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtdie onherroepelijk is, die betrekking hebben op het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning voor meer activiteiten als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet, die betrekking hebben op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet.
3. Verklaringen van geen bedenkingen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtdie zijn gegeven voor aanvragen van een omgevingsvergunning die ook betrekking heeft op het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, gelden als instemmingen als bedoeld in artikel 16.16 van de Omgevingswet.
4. Vrijstellingen in een kavelbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet windenergie op zee, zoals deze gold onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze wet, gelden als afwijkingen in een kavelbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet windenergie op zee.
2. Onderdelen van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtdie onherroepelijk is, die betrekking hebben op het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning voor meer activiteiten als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet, die betrekking hebben op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet.
3. Verklaringen van geen bedenkingen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtdie zijn gegeven voor aanvragen van een omgevingsvergunning die ook betrekking heeft op het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, gelden als instemmingen als bedoeld in artikel 16.16 van de Omgevingswet.
4. Vrijstellingen in een kavelbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet windenergie op zee, zoals deze gold onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze wet, gelden als afwijkingen in een kavelbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet windenergie op zee.