BWBR0001841
Geldig vanaf 1850-09-02
Artikel 20
Wet op de Parlementaire Enquête
1. De gevoelens, door de leden van colleges bij de behandeling van zaken ter vergadering geuit, en de deswege plaats gehad hebbende beraadslagingen mogen, voor zover bij de wet een verplichting tot geheimhouding is opgelegd, nimmer een onderwerp van verhoor of ondervraging uitmaken. Met betrekking tot de behandeling van zaken ter vergadering van de ministerraad en de op grond daarvan plaatsgehad hebbende beraadslagingen mogen ministers en staatssecretarissen, gewezen ministers en staatssecretarissen, tenzij de ministerraad op een daartoe strekkend verzoek van de commissie ontheffing verleent van de geheimhoudingsplicht, slechts worden ondervraagd over in die raad gevallen beslissingen en de gronden waarp deze rusten.
2. De verschoning van verplichte geheimhouding door burgerlijke ambtenaren of militairen of gewezen burgerlijke ambtenaren en militairen van alle rang ingebracht, moet evenzo worden aangenomen indien zij rust op het beweren dat de verlangde openbaarmaking wordt geoordeeld in strijd te zijn met het belang van de staat, of op de stellige last van hun meerderen dezelfde grond van verschoning aanduidende.
3. In beide gevallen kan echter de Kamer of de verenigde vergadering der Staten-Generaal op het verslag van haar commissie verlangen, dat de gegrondheid van de ingebrachte verschoning door de minister, onder wie de betrokken ambtenaar of militair behoort of heeft behoord nader wordt bevestigd.
4. Met betrekking tot gewezen ministers en staatssecretarissen geschiedt voor zaken, welke betrekking hebben op de tijd van hun ambtsvervulling, de bevestiging door de minister-president.
2. De verschoning van verplichte geheimhouding door burgerlijke ambtenaren of militairen of gewezen burgerlijke ambtenaren en militairen van alle rang ingebracht, moet evenzo worden aangenomen indien zij rust op het beweren dat de verlangde openbaarmaking wordt geoordeeld in strijd te zijn met het belang van de staat, of op de stellige last van hun meerderen dezelfde grond van verschoning aanduidende.
3. In beide gevallen kan echter de Kamer of de verenigde vergadering der Staten-Generaal op het verslag van haar commissie verlangen, dat de gegrondheid van de ingebrachte verschoning door de minister, onder wie de betrokken ambtenaar of militair behoort of heeft behoord nader wordt bevestigd.
4. Met betrekking tot gewezen ministers en staatssecretarissen geschiedt voor zaken, welke betrekking hebben op de tijd van hun ambtsvervulling, de bevestiging door de minister-president.