BWBR0001866
Geldig vanaf 1902-11-01
Artikel 10
Locaalspoor- en Tramwegwet
1. Met de opsporing van de bij artikel 9strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de in artikel 10 van de Spoorwegwetbedoelde ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179tot en met 182en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. De artikelen 5:13, 5:15en 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 10 van de Spoorwegwetbedoelde ambtenaren.
3. Ook zijn tot het opsporen der overtredingen in artikel 9bedoeld bevoegd de beambten en bedienden van den spoorweg, beëedigd volgens regelen bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen, over de geheele uitgestrektheid van den weg, waarop zij dienst doen, en binnen den kring van honderd meter aan beide zijden van dien weg.
2. De artikelen 5:13, 5:15en 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 10 van de Spoorwegwetbedoelde ambtenaren.
3. Ook zijn tot het opsporen der overtredingen in artikel 9bedoeld bevoegd de beambten en bedienden van den spoorweg, beëedigd volgens regelen bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen, over de geheele uitgestrektheid van den weg, waarop zij dienst doen, en binnen den kring van honderd meter aan beide zijden van dien weg.