BWBR0001848
Geldig vanaf 1999-12-24
Artikel 10
Spoorwegwet 1875
1. Vanwege de Minister van Verkeer en Waterstaat wordt inspectie op de spoorwegen uitgeoefend door een onder eenhoofdige leiding te stellen dienst. Bij algemene maatregel van bestuur worden terzake regels gesteld.
2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17en 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, met dien verstande dat zij niet bevoegd zijn:
a. rijtuigen van treinen voor autoriteiten of bestuurders van de spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen gehuurd te betreden; en
b. inlichtingen te vragen dan wel inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het geldelijk beheer van de spoorwegdienst.
3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn tevens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
4. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. De toezichthouder is niet bevoegd:
a. rijtuigen van treinen voor autoriteiten of bestuurders van de spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen gehuurd te betreden; en
b. inlichtingen te vragen dan wel inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het geldelijk beheer van de spoorwegdienst.
2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17en 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, met dien verstande dat zij niet bevoegd zijn:
a. rijtuigen van treinen voor autoriteiten of bestuurders van de spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen gehuurd te betreden; en
b. inlichtingen te vragen dan wel inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het geldelijk beheer van de spoorwegdienst.
3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn tevens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
4. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. De toezichthouder is niet bevoegd:
a. rijtuigen van treinen voor autoriteiten of bestuurders van de spoorwegdienst aangewezen of door bijzondere personen gehuurd te betreden; en
b. inlichtingen te vragen dan wel inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het geldelijk beheer van de spoorwegdienst.