BWBR0001848
Geldig vanaf 1999-12-24
Artikel 14
Spoorwegwet 1875
1. Aan de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat wordt binnen den daarbij te stellen tijd door de bestuurders der dienst voldaan.
2. Geschiedt dit niet, dan is de Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd:
zoo er nalatigheid bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van den spoorweg of van de daartoe behoorende werken en gebouwen, of met opzigt tot de aanvulling van behoeften voor de dienst en van het getal beambten of bedienden, staking van de dienst te bevelen;
zoo die bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van de voor de spoorwegdienst bestemde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens, het gebruik van zoodanige locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens te verbieden en, zoo noodig, tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
2. Geschiedt dit niet, dan is de Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd:
zoo er nalatigheid bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van den spoorweg of van de daartoe behoorende werken en gebouwen, of met opzigt tot de aanvulling van behoeften voor de dienst en van het getal beambten of bedienden, staking van de dienst te bevelen;
zoo die bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van de voor de spoorwegdienst bestemde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens, het gebruik van zoodanige locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens te verbieden en, zoo noodig, tot oplegging van een last onder bestuursdwang.