BWBR0001848
Geldig vanaf 1999-12-24
Artikel 13
Spoorwegwet 1875
1. De in artikel 10bedoelde ambtenaren geven schriftelijk kennis aan de bestuurders der spoorwegdienst van hetgeen naar hun oordeel tot instandhouding van den spoorweg en tot behoorlijke uitoefening van de dienst behoort te worden gedaan.
2. Zij roepen, zoo de bestuurders daaraan geen behoorlijk gevolg geven, de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat in.
3. De bestuurders kunnen tegen hetgeen hun aanbevolen werd, administratief beroep instellen bij de Minister.
4. Bij onmiddellijk gevaar kan degene, die ingevolge de bij artikel 10, eerste lid, bedoelde regelen als hoofd van het toezicht is aangewezen, of de Minister last geven tot onverwijlde voorziening niettegenstaande het administratief beroep.
2. Zij roepen, zoo de bestuurders daaraan geen behoorlijk gevolg geven, de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat in.
3. De bestuurders kunnen tegen hetgeen hun aanbevolen werd, administratief beroep instellen bij de Minister.
4. Bij onmiddellijk gevaar kan degene, die ingevolge de bij artikel 10, eerste lid, bedoelde regelen als hoofd van het toezicht is aangewezen, of de Minister last geven tot onverwijlde voorziening niettegenstaande het administratief beroep.