Artikel 1
1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "schepen, waarbij overwegend Nederlandsche belangen zijn betrokken":
I. voor zooveel zeeschepen betreft: a. Nederlandsche zeeschepen in den zin van het Wetboek van Koophandel, ten aanzien van welke echter niet kan worden voldaan aan de voorschriften ter verkrijging van een zeebrief;
b. schepen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd;
a. Nederlandsche zeeschepen in den zin van het Wetboek van Koophandel, ten aanzien van welke echter niet kan worden voldaan aan de voorschriften ter verkrijging van een zeebrief;
b. schepen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd;
II. voor zooveel riviervaartuigen betreft: a. vaartuigen, waarvan de eigendom voldoet aan de vereischten, in artikel 311 van het Wetboek van Koophandel voor Nederlandsche zeeschepen gesteld;
b. vaartuigen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd.
a. vaartuigen, waarvan de eigendom voldoet aan de vereischten, in artikel 311 van het Wetboek van Koophandel voor Nederlandsche zeeschepen gesteld;
b. vaartuigen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd.
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "Onze Minister" de met de uitvoering van de Zeebrievenwet 1926 belaste Minister.
I. voor zooveel zeeschepen betreft: a. Nederlandsche zeeschepen in den zin van het Wetboek van Koophandel, ten aanzien van welke echter niet kan worden voldaan aan de voorschriften ter verkrijging van een zeebrief;
b. schepen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd;
a. Nederlandsche zeeschepen in den zin van het Wetboek van Koophandel, ten aanzien van welke echter niet kan worden voldaan aan de voorschriften ter verkrijging van een zeebrief;
b. schepen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd;
II. voor zooveel riviervaartuigen betreft: a. vaartuigen, waarvan de eigendom voldoet aan de vereischten, in artikel 311 van het Wetboek van Koophandel voor Nederlandsche zeeschepen gesteld;
b. vaartuigen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd.
a. vaartuigen, waarvan de eigendom voldoet aan de vereischten, in artikel 311 van het Wetboek van Koophandel voor Nederlandsche zeeschepen gesteld;
b. vaartuigen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd.
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "Onze Minister" de met de uitvoering van de Zeebrievenwet 1926 belaste Minister.