BWBR0001935
Geldig vanaf 01-09-1927
Artikel 2
Uitvoeringsbesluit Zeebrievenwet 1926
1. De door Ons aangewezen Nederlandsche consulaire ambtenaren of andere Nederlandsche autoriteiten kunnen, op aanvrage van belanghebbenden, tijdelijke vergunningen tot het voeren van de Nederlandsche vlag afgeven, voor een daarin aangegeven gebied, voor schepen, waarbij overwegend Nederlandsche belangen zijn betrokken en welke alleen voor rivier- en kustvaart buiten Nederland worden gebruikt, op vertoon van bewijsstukken daarvan, zoomede van door de aanvragers af te leggen verklaringen nopens het bedrijf waarin de schepen zullen worden gebezigd. Bij twijfel moeten zij de bewijsstukken ter beoordeeling overleggen aan Onzen Minister.
2. Indien eene vergunning wordt gewenscht voor een vaargebied, dat de grenzen van den ambtskring van de bevoegde Nederlandsche autoriteit overschrijdt, wordt door deze vooraf overleg gepleegd met Onzen Minister.
3. Het formulier van de tijdelijke vergunning wordt door Onzen Minister vastgesteld.
2. Indien eene vergunning wordt gewenscht voor een vaargebied, dat de grenzen van den ambtskring van de bevoegde Nederlandsche autoriteit overschrijdt, wordt door deze vooraf overleg gepleegd met Onzen Minister.
3. Het formulier van de tijdelijke vergunning wordt door Onzen Minister vastgesteld.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001935
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl