BWBR0002564
Geldig vanaf 22-09-1995
Artikel 136
Mijnreglement continentaal plat
1. Door de bestuurders van een mijnonderneming, waarin - of waarvoor door anderen - een opsporingsonderzoek wordt ingesteld, dan wel delfstoffen worden gewonnen, dient jaarlijks aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een op het volgende kalenderjaar betrekking hebbend brandbeschermingsplan voor alle bij dat onderzoek of die winning in gebruik zijnde mijnbouwinstallaties te worden toegezonden; het moet tenminste 14 dagen vóór de aanvang van het kalenderjaar in zijn bezit zijn.
2. In geval in de loop van enig kalenderjaar met een opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen wordt begonnen, dient door de bestuurders van de betrokken mijnonderneming tijdig tevoren een op dat jaar en op de bij dat onderzoek of die winning te gebruiken mijnbouwinstallaties betrekking hebbend brandbeschermingsplan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen te worden toegezonden.
3. Het brandbeschermingsplan dient gedetailleerde gegevens te bevatten over de te nemen maatregelen voor bescherming tegen brand, voor brandmelding en voor bestrijding van het uitbreken en de uitbreiding van branden en moet op de mijnbouwinstallatie beschikbaar zijn.
4. Onze Minister kan nadere regelen stellen ter uitvoering van het derde lid.
5. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bepalen dat bij de bestrijding van een brand geen door hem daarbij aan te geven brandblusmiddelen, welke de zee kunnen verontreinigen, mogen worden aangewend.
2. In geval in de loop van enig kalenderjaar met een opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen wordt begonnen, dient door de bestuurders van de betrokken mijnonderneming tijdig tevoren een op dat jaar en op de bij dat onderzoek of die winning te gebruiken mijnbouwinstallaties betrekking hebbend brandbeschermingsplan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen te worden toegezonden.
3. Het brandbeschermingsplan dient gedetailleerde gegevens te bevatten over de te nemen maatregelen voor bescherming tegen brand, voor brandmelding en voor bestrijding van het uitbreken en de uitbreiding van branden en moet op de mijnbouwinstallatie beschikbaar zijn.
4. Onze Minister kan nadere regelen stellen ter uitvoering van het derde lid.
5. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bepalen dat bij de bestrijding van een brand geen door hem daarbij aan te geven brandblusmiddelen, welke de zee kunnen verontreinigen, mogen worden aangewend.
- Citeren als
- Art. 136
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl