BWBR0002564
Geldig vanaf 01-08-1971
Artikel 139
Mijnreglement continentaal plat
1. Het is verboden op een mijnbouwinstallatie met vuur en ontplofbare of licht ontvlambare stoffen op niet veilige wijze om te gaan.
2. Ten aanzien van een plaats of een ruimte op een mijnbouwinstallatie, waar stoffen, voor welke verhoogd brandgevaar bestaat, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, moeten doelmatige maatregelen worden genomen ter voorkoming van brand.
3. Ten aanzien van een plaats of een ruimte op een mijnbouwinstallatie, waar stoffen, die direct of indirect gevaar voor ontploffing kunnen veroorzaken, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, en ten aanzien van de naaste omgeving daarvan, moeten doelmatige maatregelen worden genomen ter voorkoming van ontploffing. Deze stoffen mogen aldaar niet in een grotere hoeveelheid voorhanden worden gehouden dan voor de goede gang van het werk is vereist.
4. Uitsluitend bij noodzakelijke werkzaamheden van tijdelijke aard mag op plaatsen of in ruimten als in het tweede of het derde lid bedoeld en in de naaste omgeving daarvan open vuur worden gebruikt, doch dan is voor deze werkzaamheden in elk geval een schriftelijke toestemming van de bedrijfsleiding vereist, waarin doelmatige veiligheidsmaatregelen moeten zijn aangegeven.
5. De krachtens artikel 2 met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde maatregelen door Onze Minister vastgestelde nadere regelen moeten onder meer betrekking hebben op:
a. de wijze van verlichting;
b. het aanwezig hebben van gereedschap, apparaten, werktuigen, voertuigen of onderdelen daarvan;
c. het bij zich hebben van rookmateriaal, rookgereedschap, lucifers, aanstekers of andere middelen om vuur te verwekken.
Deze regelen kunnen, voor wat het onder b en c gestelde betreft, een verbod inhouden.
6. Onze Minister kan van het tweede, derde en vierde lid ontheffing verlenen, alsook met betrekking tot het aldaar bepaalde nadere regelen stellen.
2. Ten aanzien van een plaats of een ruimte op een mijnbouwinstallatie, waar stoffen, voor welke verhoogd brandgevaar bestaat, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, moeten doelmatige maatregelen worden genomen ter voorkoming van brand.
3. Ten aanzien van een plaats of een ruimte op een mijnbouwinstallatie, waar stoffen, die direct of indirect gevaar voor ontploffing kunnen veroorzaken, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, en ten aanzien van de naaste omgeving daarvan, moeten doelmatige maatregelen worden genomen ter voorkoming van ontploffing. Deze stoffen mogen aldaar niet in een grotere hoeveelheid voorhanden worden gehouden dan voor de goede gang van het werk is vereist.
4. Uitsluitend bij noodzakelijke werkzaamheden van tijdelijke aard mag op plaatsen of in ruimten als in het tweede of het derde lid bedoeld en in de naaste omgeving daarvan open vuur worden gebruikt, doch dan is voor deze werkzaamheden in elk geval een schriftelijke toestemming van de bedrijfsleiding vereist, waarin doelmatige veiligheidsmaatregelen moeten zijn aangegeven.
5. De krachtens artikel 2 met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde maatregelen door Onze Minister vastgestelde nadere regelen moeten onder meer betrekking hebben op:
a. de wijze van verlichting;
b. het aanwezig hebben van gereedschap, apparaten, werktuigen, voertuigen of onderdelen daarvan;
c. het bij zich hebben van rookmateriaal, rookgereedschap, lucifers, aanstekers of andere middelen om vuur te verwekken.
Deze regelen kunnen, voor wat het onder b en c gestelde betreft, een verbod inhouden.
6. Onze Minister kan van het tweede, derde en vierde lid ontheffing verlenen, alsook met betrekking tot het aldaar bepaalde nadere regelen stellen.
- Citeren als
- Art. 139
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl