BWBR0002564
Geldig vanaf 22-09-1995
Artikel 156
Mijnreglement continentaal plat
1. De lucht in een lokaal op een mijnbouwinstallatie, waarin personen plegen aanwezig te zijn, moet voldoende en op doelmatige wijze worden ververst onder vermijding van hinderlijke tocht.
2. In besloten werkruimten moet ervoor worden gezorgd dat, rekening houdend met de werkmethoden en de door de arbeiders te leveren lichamelijke inspanningen, voldoende reine lucht aanwezig is.
3. Indien een luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, moet deze altijd gebruiksklaar zijn. Storingen moeten door een controlesysteem worden gemeld als dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de arbeiders.
4. Indien airconditioningsinstallaties of mechanische ventilatieinstallaties worden gebruikt moeten die op zodanige wijze functioneren dat de arbeiders niet aan hinderlijke tocht worden blootgesteld.
5. Elke ongerechtigheid die via verontreiniging van de ingeademde lucht een onmiddellijk gevaar kan meebrengen voor de gezondheid van de arbeiders, moet snel worden verwijderd.
6. De temperatuur van ontspanningruimten, ruimten voor het personeel in avond- en nachtdienst, sanitaire ruimten, kantines en eerstehulpruimten moet op de specifieke bestemming van deze ruimten zijn afgestemd.
7. De temperatuur in de werkruimten moet gedurende de arbeidstijd afgestemd zijn op het menselijk organisme, rekening houdend met werkmethoden, de aard van het werk en de door de arbeiders te leveren lichamelijke inspanningen. Hiertoe moeten de arbeidsplaatsen waar feitelijk werkplekken zijn ingericht voldoende thermisch geïsoleerd zijn.
8. Ramen, bovenlichtvoorzieningen en glazen wanden moeten zodanig geconstrueerd zijn dat, rekening houdend met het soort werk en de aard van de arbeidsplaats, overmatig zonlicht op de arbeidsplaats wordt vermeden.
2. In besloten werkruimten moet ervoor worden gezorgd dat, rekening houdend met de werkmethoden en de door de arbeiders te leveren lichamelijke inspanningen, voldoende reine lucht aanwezig is.
3. Indien een luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, moet deze altijd gebruiksklaar zijn. Storingen moeten door een controlesysteem worden gemeld als dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de arbeiders.
4. Indien airconditioningsinstallaties of mechanische ventilatieinstallaties worden gebruikt moeten die op zodanige wijze functioneren dat de arbeiders niet aan hinderlijke tocht worden blootgesteld.
5. Elke ongerechtigheid die via verontreiniging van de ingeademde lucht een onmiddellijk gevaar kan meebrengen voor de gezondheid van de arbeiders, moet snel worden verwijderd.
6. De temperatuur van ontspanningruimten, ruimten voor het personeel in avond- en nachtdienst, sanitaire ruimten, kantines en eerstehulpruimten moet op de specifieke bestemming van deze ruimten zijn afgestemd.
7. De temperatuur in de werkruimten moet gedurende de arbeidstijd afgestemd zijn op het menselijk organisme, rekening houdend met werkmethoden, de aard van het werk en de door de arbeiders te leveren lichamelijke inspanningen. Hiertoe moeten de arbeidsplaatsen waar feitelijk werkplekken zijn ingericht voldoende thermisch geïsoleerd zijn.
8. Ramen, bovenlichtvoorzieningen en glazen wanden moeten zodanig geconstrueerd zijn dat, rekening houdend met het soort werk en de aard van de arbeidsplaats, overmatig zonlicht op de arbeidsplaats wordt vermeden.
- Citeren als
- Art. 156
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl