BWBR0002781
Geldig vanaf 1997-01-01
Artikel 2
Rijksreglement ontgrondingen
De Ontgrondingenwetis ten aanzien van de in artikel 1bedoelde wateren en gebieden niet van toepassing op:
a. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van Rijkswaterstaatswerken;
b. het aanleggen, onderhouden, verbreden of verdiepen van watergangen, voor zover deze een bovenbreedte krijgen van niet meer dan 15 m, een bodembreedte van niet meer dan 5 m en een diepte van niet meer dan 2,50 m beneden het polder- of boezempeil, of bij gebreke daarvan 3 m beneden de gemiddelde hoogteligging van het aangrenzende terrein;
c. het aanleggen of onderhouden van waterkeringen;
d. het wijzigen van de hoogteligging van het terrein ten behoeve en ter plaatse van het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van wegen, parkeerterreinen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, sportterreinen, parken, plantsoenen, tuinen en werken van tijdelijke aard, een en ander mits 1e. de werken plaats vinden ter uitvoering van een rechtsgeldig bestemmingsplan en bovendien de grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijk niveau ongemoeid blijven, dan wel,
2e. het terrein niet meer dan 0,50 m beneden het oorspronkelijke niveau komt te liggen;
1e. de werken plaats vinden ter uitvoering van een rechtsgeldig bestemmingsplan en bovendien de grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijk niveau ongemoeid blijven, dan wel,
2e. het terrein niet meer dan 0,50 m beneden het oorspronkelijke niveau komt te liggen;
e. de normale uitoefening van het land-, tuin- of bosbouwbedrijf, alsmede het planten of rooien van bomen, struiken of andere gewassen;
f. het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van bouwwerken, kelders en graven, het doen van grondboringen en sonderingen, het leggen, plaatsen, onderhouden, wijzigen of opruimen van buizen, kabels, palen en dergelijke voorwerpen;
g. het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van waterputten, reservoirs, bassins en soortgelijke werken, mits de bodemoppervlakte niet meer dan 50 m² en de inhoud niet meer dan 50 m3 bedraagt en de grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden de oorspronkelijke terreinhoogte ongemoeid blijven;
h. het graven van slikgruppen ter bevordering van de aanwas alsmede het baggeren met hand- of hijsbeugel in de in artikel 1 onder a en b bedoelde wateren.
a. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van Rijkswaterstaatswerken;
b. het aanleggen, onderhouden, verbreden of verdiepen van watergangen, voor zover deze een bovenbreedte krijgen van niet meer dan 15 m, een bodembreedte van niet meer dan 5 m en een diepte van niet meer dan 2,50 m beneden het polder- of boezempeil, of bij gebreke daarvan 3 m beneden de gemiddelde hoogteligging van het aangrenzende terrein;
c. het aanleggen of onderhouden van waterkeringen;
d. het wijzigen van de hoogteligging van het terrein ten behoeve en ter plaatse van het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van wegen, parkeerterreinen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, sportterreinen, parken, plantsoenen, tuinen en werken van tijdelijke aard, een en ander mits 1e. de werken plaats vinden ter uitvoering van een rechtsgeldig bestemmingsplan en bovendien de grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijk niveau ongemoeid blijven, dan wel,
2e. het terrein niet meer dan 0,50 m beneden het oorspronkelijke niveau komt te liggen;
1e. de werken plaats vinden ter uitvoering van een rechtsgeldig bestemmingsplan en bovendien de grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijk niveau ongemoeid blijven, dan wel,
2e. het terrein niet meer dan 0,50 m beneden het oorspronkelijke niveau komt te liggen;
e. de normale uitoefening van het land-, tuin- of bosbouwbedrijf, alsmede het planten of rooien van bomen, struiken of andere gewassen;
f. het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van bouwwerken, kelders en graven, het doen van grondboringen en sonderingen, het leggen, plaatsen, onderhouden, wijzigen of opruimen van buizen, kabels, palen en dergelijke voorwerpen;
g. het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van waterputten, reservoirs, bassins en soortgelijke werken, mits de bodemoppervlakte niet meer dan 50 m² en de inhoud niet meer dan 50 m3 bedraagt en de grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden de oorspronkelijke terreinhoogte ongemoeid blijven;
h. het graven van slikgruppen ter bevordering van de aanwas alsmede het baggeren met hand- of hijsbeugel in de in artikel 1 onder a en b bedoelde wateren.