BWBR0003246
Geldig vanaf 1979-08-14
Artikel 3
Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978
1. De meting geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
2. Voor de meting van een binnenvaartuig worden de maten aan het vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het binnenvaartuig is het deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig.
3. Bij het meten van lengten en breedten worden de onderdelen van centimeters, wanneer deze vijf millimeter of meer bedragen, voor een centimeter gerekend en anders verwaarloosd.
4. Bij het meten van hoogten worden de onderdelen van centimeters tot op een tiende centimeter in aanmerking genomen.
5. Bij de berekening worden breuken van duizendste delen, wanneer deze vijf tienduizendste of meer bedragen, voor een duizendste gerekend en anders verwaarloosd.
6. Bij de eindberekening van de verplaatsing worden onderdelen van een kubieke decimeter verwaarloosd.
2. Voor de meting van een binnenvaartuig worden de maten aan het vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het binnenvaartuig is het deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig.
3. Bij het meten van lengten en breedten worden de onderdelen van centimeters, wanneer deze vijf millimeter of meer bedragen, voor een centimeter gerekend en anders verwaarloosd.
4. Bij het meten van hoogten worden de onderdelen van centimeters tot op een tiende centimeter in aanmerking genomen.
5. Bij de berekening worden breuken van duizendste delen, wanneer deze vijf tienduizendste of meer bedragen, voor een duizendste gerekend en anders verwaarloosd.
6. Bij de eindberekening van de verplaatsing worden onderdelen van een kubieke decimeter verwaarloosd.