BWBR0003246
Geldig vanaf 1979-08-14
Artikel 5
Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978
1. Het vlak van de grootste toegelaten diepgang is het vlak, vastgesteld overeenkomstig de voor dat binnenvaartuig geldende regels van het Binnenschepenbesluit.
2. Voor binnenvaartuigen waarop de Binnenschepenwetniet van toepassing is, wordt het vlak van de grootste toegelaten diepgang vastgesteld overeenkomstig bijlage II bij het Binnenschepenbesluit.
3. Voor binnenvaartuigen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang ten hoogste tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld dan in het eerste of tweede lid bepaald.
4. In bijzondere gevallen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang meer dan tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld, mits ten genoegen van het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst wordt aangetoond dat de grootste diepgang waarop het schip zal kunnen varen geringer is dan de diepgang, bepaald volgens het derde lid.
5. Voor binnenvaartuigen die niet zijn bestemd noch ingericht voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang lager worden gesteld dan in het eerste en tweede lid bepaald.
2. Voor binnenvaartuigen waarop de Binnenschepenwetniet van toepassing is, wordt het vlak van de grootste toegelaten diepgang vastgesteld overeenkomstig bijlage II bij het Binnenschepenbesluit.
3. Voor binnenvaartuigen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang ten hoogste tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld dan in het eerste of tweede lid bepaald.
4. In bijzondere gevallen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang meer dan tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld, mits ten genoegen van het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst wordt aangetoond dat de grootste diepgang waarop het schip zal kunnen varen geringer is dan de diepgang, bepaald volgens het derde lid.
5. Voor binnenvaartuigen die niet zijn bestemd noch ingericht voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang lager worden gesteld dan in het eerste en tweede lid bepaald.