BWBR0003526
Geldig vanaf 1982-11-18
Artikel 3
Besluit vaarbewijzen binnenvaart
1. Een aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs wordt ingediend bij Onze Minister.
2. Bij de aanvraag worden overgelegd:
a. de geneeskundige verklaring, niet ouder dan drie maanden, of een eigen verklaring op grond van artikel 7;
b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor het verlangde vaarbewijs of een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart dat door Onze Minister is erkend;
c. een een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, of enig ander bewijsstuk betreffende naam en geboortedatum van de aanvrager;
d. twee goedgelijkende pasfoto’s van de aanvrager, aan de achterkant voorzien van zijn naam, voorletters en geboortedatum;
e. een bewijs van betaling van het bedrag dat verschuldigd is voor de behandeling van de aanvraag.
3. In geval van ongeldigheid van het vaarbewijs mag geen gebruik worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van vaarbekwaamheid.
2. Bij de aanvraag worden overgelegd:
a. de geneeskundige verklaring, niet ouder dan drie maanden, of een eigen verklaring op grond van artikel 7;
b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor het verlangde vaarbewijs of een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart dat door Onze Minister is erkend;
c. een een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, of enig ander bewijsstuk betreffende naam en geboortedatum van de aanvrager;
d. twee goedgelijkende pasfoto’s van de aanvrager, aan de achterkant voorzien van zijn naam, voorletters en geboortedatum;
e. een bewijs van betaling van het bedrag dat verschuldigd is voor de behandeling van de aanvraag.
3. In geval van ongeldigheid van het vaarbewijs mag geen gebruik worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van vaarbekwaamheid.