BWBR0003771
Geldig vanaf 01-08-1998
Artikel I-P76
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 en d2, d16, stelt vóór 1 mei van ieder jaar de formatie van de instelling voor het daaropvolgend schooljaar vast. Het bevoegd gezag, doet vóór het begin van het schooljaar mededeling aan Onze minister van de aldus bestede formatierekeneenheden.
2. De formatie bedoeld in het eerste lid wordt onderscheiden in de volgende categorieën:
a. de door het bevoegd gezag structureel gewenste functies naar aard, niveau en omvang;
b. functies die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd;
c. functies in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel door Onze minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de onder a bedoelde formatie zijn opgenomen.
3. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, neemt in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a in elk geval de functies van de reeds in deze formatie opgenomen en in vaste dienst verbonden betrokkenen op voor de omvang van de betrekking waarin zij zijn benoemd, tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
4. Indien in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a, daarvoor ruimte is ontstaan, neemt het bevoegd gezag onder gelijke voorwaarden als genoemd in het derde lid, hierin tevens op functies van in vaste dienst verbonden betrokkenen die deel uitmaken van de formatie bedoeld in het tweede lid, onder b.
5. Indien Onze Minister voor korter dan een schooljaar formatierekeneenheden beschikbaar heeft gesteld, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de formatie bedoeld in het tweede lid, onder c, tijdens het schooljaar opnieuw vastgesteld voor zover de toekenning dan wel het vervallen van deze formatierekeneenheden geschiedt tijdens het schooljaar.
6. Vervallen.
7. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d12, stelt de formatie van de instelling vast met inachtneming van het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit W.O.V. (Stb. 1988, 128). Het bevoegd gezag bedoeld in de eerste volzin, neemt in de formatie in elk geval de functies van de aan de instelling verbonden betrokkenen op voor de betrekkingsomvang waarvoor zij zijn benoemd, tenzij dit gezien de in artikel D6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit W.O.V. neergelegde uitgangspunten in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
2. De formatie bedoeld in het eerste lid wordt onderscheiden in de volgende categorieën:
a. de door het bevoegd gezag structureel gewenste functies naar aard, niveau en omvang;
b. functies die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd;
c. functies in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel door Onze minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de onder a bedoelde formatie zijn opgenomen.
3. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, neemt in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a in elk geval de functies van de reeds in deze formatie opgenomen en in vaste dienst verbonden betrokkenen op voor de omvang van de betrekking waarin zij zijn benoemd, tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
4. Indien in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a, daarvoor ruimte is ontstaan, neemt het bevoegd gezag onder gelijke voorwaarden als genoemd in het derde lid, hierin tevens op functies van in vaste dienst verbonden betrokkenen die deel uitmaken van de formatie bedoeld in het tweede lid, onder b.
5. Indien Onze Minister voor korter dan een schooljaar formatierekeneenheden beschikbaar heeft gesteld, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de formatie bedoeld in het tweede lid, onder c, tijdens het schooljaar opnieuw vastgesteld voor zover de toekenning dan wel het vervallen van deze formatierekeneenheden geschiedt tijdens het schooljaar.
6. Vervallen.
7. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d12, stelt de formatie van de instelling vast met inachtneming van het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit W.O.V. (Stb. 1988, 128). Het bevoegd gezag bedoeld in de eerste volzin, neemt in de formatie in elk geval de functies van de aan de instelling verbonden betrokkenen op voor de betrekkingsomvang waarvoor zij zijn benoemd, tenzij dit gezien de in artikel D6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit W.O.V. neergelegde uitgangspunten in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
- Citeren als
- Art. I-P76
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl