BWBR0004304
Geldig vanaf 1999-11-30
Artikel 26
Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissies
1. De bezoldiging van de voorzitter wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.
2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de voorzitter ontvangt de achterblijvende echtgenoot, van wie de voorzitter niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden, berekend naar de bezoldiging op de dag van het overlijden. De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal dat van de vakantie-uitkering over een maand berekend overeenkomstig het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, naar de bezoldiging die de voorzitter in de maand van overlijden zou hebben genoten.
3. Indien de overledene geen echtgenoot als bedoeld in het tweede lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
4. Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede en het derde lid, nalaat, kan de daarbedoelde uitkering door Onze Minister geheel of ten dele worden verleend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
5. Voor de toepassing van het tweede en het derde lid van dit artikelwordt onder bezoldiging mede verstaan de kinderbijslag waarop de voorzitter ingevolge de Algemene Kinderbijslagwetrecht had. Indien de voorzitter op de dag van het overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was zijn dienst te verrichten, wordt onder bezoldiging verstaan hetgeen daaronder krachtens artikel 11voor de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglementwordt verstaan.
2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de voorzitter ontvangt de achterblijvende echtgenoot, van wie de voorzitter niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden, berekend naar de bezoldiging op de dag van het overlijden. De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal dat van de vakantie-uitkering over een maand berekend overeenkomstig het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, naar de bezoldiging die de voorzitter in de maand van overlijden zou hebben genoten.
3. Indien de overledene geen echtgenoot als bedoeld in het tweede lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
4. Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede en het derde lid, nalaat, kan de daarbedoelde uitkering door Onze Minister geheel of ten dele worden verleend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
5. Voor de toepassing van het tweede en het derde lid van dit artikelwordt onder bezoldiging mede verstaan de kinderbijslag waarop de voorzitter ingevolge de Algemene Kinderbijslagwetrecht had. Indien de voorzitter op de dag van het overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was zijn dienst te verrichten, wordt onder bezoldiging verstaan hetgeen daaronder krachtens artikel 11voor de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglementwordt verstaan.