BWBR0004730
Geldig vanaf 1992-08-01
Artikel 6
Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990
1. Degenen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in het bezit zijn van een geldige, hun ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst verleende vergunning tot het kastreren, zijn toegelaten tot het als beroep verrichten van een of meer der navolgende handelingen:
a. het onvruchtbaar maken van mannelijke biggen en ramlammeren en, voor zover de in de aanhef genoemde vergunning zich hiertoe uitstrekt, van andere mannelijke varkens en mannelijke schapen en hengsten, stieren, bokken, reuen en katers, een en ander mits de primaire geslachtsklieren bij deze dieren op de normale plaats aanwezig zijn en geen afwijkingen vertonen;
b. het langs de weg van een operatie behandelen van scrotaalbreuken bij varkens, voor zover deze ingreep tegelijkertijd met het onvruchtbaar maken plaatsvindt;
c. het toepassen van plaatselijke verdoving bij de onder a en b genoemde ingrepen;
d. het behandelen met wondpoeders van wonden welke een direct gevolg zijn van de onder a en b genoemde ingrepen.
2. Onze Minister kan regelen stellen omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde personen de aldaar onder aen bgenoemde ingrepen mogen verrichten alsmede omtrent de diergeneesmiddelen die zij daarbij mogen toepassen en de wijze waarop zij deze mogen toepassen.
a. het onvruchtbaar maken van mannelijke biggen en ramlammeren en, voor zover de in de aanhef genoemde vergunning zich hiertoe uitstrekt, van andere mannelijke varkens en mannelijke schapen en hengsten, stieren, bokken, reuen en katers, een en ander mits de primaire geslachtsklieren bij deze dieren op de normale plaats aanwezig zijn en geen afwijkingen vertonen;
b. het langs de weg van een operatie behandelen van scrotaalbreuken bij varkens, voor zover deze ingreep tegelijkertijd met het onvruchtbaar maken plaatsvindt;
c. het toepassen van plaatselijke verdoving bij de onder a en b genoemde ingrepen;
d. het behandelen met wondpoeders van wonden welke een direct gevolg zijn van de onder a en b genoemde ingrepen.
2. Onze Minister kan regelen stellen omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde personen de aldaar onder aen bgenoemde ingrepen mogen verrichten alsmede omtrent de diergeneesmiddelen die zij daarbij mogen toepassen en de wijze waarop zij deze mogen toepassen.