BWBR0006425
Geldig vanaf 1994-04-05
Artikel 27
Besluit locatiegebonden subsidies
1. Onze Minister kan, uiterlijk zes maanden na de ontvangst van het volledige in artikel 26, eerste lid, bedoelde eindrapport, een besluit tot toekenning van een budget intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien uit dat rapport, of uit de uitgebrachte eindrapporten gezamenlijk naar zijn oordeel blijkt dat:
a. een regionaal openbaar lichaam zich niet heeft gehouden aan één of meer van de onderdelen van het uitvoeringscontract, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, onderdelen a en f, en tweede lid, en 6, eerste lid, aan artikel 6, tweede lid, en het algemeen bestuur in het eindrapport niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat dat openbaar lichaam zich alsnog aan die bepalingen zal houden;
b. in een regionaal openbaar lichaam waarvan Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, de toeslag, bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, zoals die luidde op 31 december 1999, niet of niet volledig is besteed aan het ontwikkelen van bouwlocaties in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht op laatstelijk voor 1 januari 1990 in gebruik zijnde bedrijfsterreinen, tenzij die gemeente van die besteding heeft afgezien ten gunste van een andere bouwgemeente die van het betrokken regionaal openbaar lichaam deel uitmaakt en die toeslag heeft besteed aan het ontwikkelen van bouwlocaties met laatstelijk voor 1 januari 1990 in gebruik zijnde bedrijfsterreinen.
c. een budgetbeherende provincie zich niet heeft gehouden aan artikel 2, eerste lid, aan het onderdeel van het ontwikkelingscontract, bedoeld in artikel 6a, onderdeel e, of aan artikel 18a, of niet de hand heeft gehouden aan de naleving van artikel 18b, eerste en tweede lid, en provinciale staten in het eindrapport niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk hebben gemaakt dat die provincie zich alsnog aan die bepalingen zal houden respectievelijk aan die naleving de hand zal houden, of
d. een budgetbeherende provincie die zich heeft gehouden aan artikel 6a, onderdeel e, binnen de bebouwde kom minder woningen aan de woningvoorraad heeft toegevoegd dan het ingevolge artikel 6a, onderdeel d, in het ontwikkelingscontract opgenomen aantal binnen de bebouwde kom daaraan toe te voegen woningen, en het door de budgetbeherende provincies gezamenlijk binnen de bebouwde kom daaraan toegevoegde woningen lager is dan het aantal door die provincies gezamenlijk in het kader van de ontwikkeling van bouwlocaties binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen.
2. Onze Minister kan een besluit tot toekenning van een budget voorts intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien de gegevens op grond waarvan het budget is toegekend zodanig onjuist blijken te zijn, dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen.
a. een regionaal openbaar lichaam zich niet heeft gehouden aan één of meer van de onderdelen van het uitvoeringscontract, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, onderdelen a en f, en tweede lid, en 6, eerste lid, aan artikel 6, tweede lid, en het algemeen bestuur in het eindrapport niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat dat openbaar lichaam zich alsnog aan die bepalingen zal houden;
b. in een regionaal openbaar lichaam waarvan Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, de toeslag, bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, zoals die luidde op 31 december 1999, niet of niet volledig is besteed aan het ontwikkelen van bouwlocaties in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht op laatstelijk voor 1 januari 1990 in gebruik zijnde bedrijfsterreinen, tenzij die gemeente van die besteding heeft afgezien ten gunste van een andere bouwgemeente die van het betrokken regionaal openbaar lichaam deel uitmaakt en die toeslag heeft besteed aan het ontwikkelen van bouwlocaties met laatstelijk voor 1 januari 1990 in gebruik zijnde bedrijfsterreinen.
c. een budgetbeherende provincie zich niet heeft gehouden aan artikel 2, eerste lid, aan het onderdeel van het ontwikkelingscontract, bedoeld in artikel 6a, onderdeel e, of aan artikel 18a, of niet de hand heeft gehouden aan de naleving van artikel 18b, eerste en tweede lid, en provinciale staten in het eindrapport niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk hebben gemaakt dat die provincie zich alsnog aan die bepalingen zal houden respectievelijk aan die naleving de hand zal houden, of
d. een budgetbeherende provincie die zich heeft gehouden aan artikel 6a, onderdeel e, binnen de bebouwde kom minder woningen aan de woningvoorraad heeft toegevoegd dan het ingevolge artikel 6a, onderdeel d, in het ontwikkelingscontract opgenomen aantal binnen de bebouwde kom daaraan toe te voegen woningen, en het door de budgetbeherende provincies gezamenlijk binnen de bebouwde kom daaraan toegevoegde woningen lager is dan het aantal door die provincies gezamenlijk in het kader van de ontwikkeling van bouwlocaties binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen.
2. Onze Minister kan een besluit tot toekenning van een budget voorts intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien de gegevens op grond waarvan het budget is toegekend zodanig onjuist blijken te zijn, dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen.