BWBR0006425
Geldig vanaf 1994-04-05
Artikel 5
Besluit locatiegebonden subsidies
1. Een uitvoeringscontract omvat in elk geval:
a. de gedurende de contractperiode op het grondgebied van het regionaal openbaar lichaam te ontwikkelen bouwlocaties;
b. het tijdstip waarop de contractperiode begint en het tijdstip waarop deze eindigt, welk laatstbedoelde tijdstip samenvalt met het tijdstip waarop ingevolge de aanhef van artikel 27, eerste lid, uiterlijk kan worden besloten een budget in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen;
c. een verdeling van de contractperiode in drie tijdvakken, waarbij per tijdvak het aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen wordt aangegeven, met dien verstande dat: 1°. het tweede tijdvak begint op 1 januari van een jaar;
2°. het derde tijdvak begint op het tijdstip, bedoeld in onderdeel d, en dat als aantal in dat tijdvak aan de woningvoorraad toe te voegen woningen nul wordt aangegeven, en
3°. zowel het eerste als het tweede tijdvak ten minste twee vijfde deel uitmaakt van de contractperiode zonder inbegrip van het derde tijdvak;
1°. het tweede tijdvak begint op 1 januari van een jaar;
2°. het derde tijdvak begint op het tijdstip, bedoeld in onderdeel d, en dat als aantal in dat tijdvak aan de woningvoorraad toe te voegen woningen nul wordt aangegeven, en
3°. zowel het eerste als het tweede tijdvak ten minste twee vijfde deel uitmaakt van de contractperiode zonder inbegrip van het derde tijdvak;
d. het beoogde tijdstip van voltooiing van de ontwikkeling van de bouwlocaties;
e. de wijze van afstemming in een tijdvak als bedoeld in onderdeel c tussen de bouw van woningen en andere gebouwen, de sanering van de bodem en de aanleg van voorzieningen op het terrein van verkeer en vervoer;
f. het totale aantal ten minste aan de woningvoorraad toe te voegen woningen;
g. de gehanteerde rente, waarvoor wordt uit gegaan van de gemiddelde rente over de vijf kalenderjaren die direct voorafgaan aan het tijdstip van ondertekening van het uitvoeringscontract, en
h. hetgeen ingevolge de artikelen 13d, 17, eerste lid, eerste en derde volzin, en 25, eerste lid, derde volzin, daarin dient te worden opgenomen.
2. Een uitvoeringscontract voor een regionaal openbaar lichaam waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, omvat voorts in elk geval het aantal ten minste aan de woningvoorraad toe te voegen woningen voor iedere te ontwikkelen bouwlocatie binnen de bebouwde kom van de betrokken genoemde gemeente, waarop bedrijfsterreinen gelegen zijn die niet meer als zodanig in gebruik zijn. Een uitvoeringscontract voor een ander regionaal openbaar lichaam omvat voorts in elk geval het aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen voor iedere te ontwikkelen bouwlocatie buiten de bebouwde kom.
a. de gedurende de contractperiode op het grondgebied van het regionaal openbaar lichaam te ontwikkelen bouwlocaties;
b. het tijdstip waarop de contractperiode begint en het tijdstip waarop deze eindigt, welk laatstbedoelde tijdstip samenvalt met het tijdstip waarop ingevolge de aanhef van artikel 27, eerste lid, uiterlijk kan worden besloten een budget in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen;
c. een verdeling van de contractperiode in drie tijdvakken, waarbij per tijdvak het aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen wordt aangegeven, met dien verstande dat: 1°. het tweede tijdvak begint op 1 januari van een jaar;
2°. het derde tijdvak begint op het tijdstip, bedoeld in onderdeel d, en dat als aantal in dat tijdvak aan de woningvoorraad toe te voegen woningen nul wordt aangegeven, en
3°. zowel het eerste als het tweede tijdvak ten minste twee vijfde deel uitmaakt van de contractperiode zonder inbegrip van het derde tijdvak;
1°. het tweede tijdvak begint op 1 januari van een jaar;
2°. het derde tijdvak begint op het tijdstip, bedoeld in onderdeel d, en dat als aantal in dat tijdvak aan de woningvoorraad toe te voegen woningen nul wordt aangegeven, en
3°. zowel het eerste als het tweede tijdvak ten minste twee vijfde deel uitmaakt van de contractperiode zonder inbegrip van het derde tijdvak;
d. het beoogde tijdstip van voltooiing van de ontwikkeling van de bouwlocaties;
e. de wijze van afstemming in een tijdvak als bedoeld in onderdeel c tussen de bouw van woningen en andere gebouwen, de sanering van de bodem en de aanleg van voorzieningen op het terrein van verkeer en vervoer;
f. het totale aantal ten minste aan de woningvoorraad toe te voegen woningen;
g. de gehanteerde rente, waarvoor wordt uit gegaan van de gemiddelde rente over de vijf kalenderjaren die direct voorafgaan aan het tijdstip van ondertekening van het uitvoeringscontract, en
h. hetgeen ingevolge de artikelen 13d, 17, eerste lid, eerste en derde volzin, en 25, eerste lid, derde volzin, daarin dient te worden opgenomen.
2. Een uitvoeringscontract voor een regionaal openbaar lichaam waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, omvat voorts in elk geval het aantal ten minste aan de woningvoorraad toe te voegen woningen voor iedere te ontwikkelen bouwlocatie binnen de bebouwde kom van de betrokken genoemde gemeente, waarop bedrijfsterreinen gelegen zijn die niet meer als zodanig in gebruik zijn. Een uitvoeringscontract voor een ander regionaal openbaar lichaam omvat voorts in elk geval het aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen voor iedere te ontwikkelen bouwlocatie buiten de bebouwde kom.