BWBR0006781
Geldig vanaf 1994-08-31
Artikel 11
Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen
1. Indien de duur van de door een aanvrager met goed gevolg afgesloten kort-hoger-onderwijsopleiding ten minste een jaar korter is dan de in Nederland bij of krachtens wet voor de toelating tot het desbetreffende beroep vereiste opleiding, kan de bevoegde autoriteit van aanvrager eisen dat hij aantoont te beschikken over beroepservaring. Bij een aanvrager die een deeltijdse opleiding dan wel een opleiding als bedoeld in artikel 2, onder b, heeft gevolgd, wordt in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin niet uitgegaan van de duur van de door hem gevolgde opleiding, maar van de voltijdse duur van de opleiding als bedoeld in artikel 2, onder a.
2. Op grond van het eerste lid kan ten hoogste vier jaren beroepservaring worden verlangd, met dien verstande dat geëist mag worden:
a. een beroepservaring gedurende een periode die het dubbele bedraagt van de ontbrekende periode, wanneer deze periode betrekking heeft op een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs dan wel op een met een examen af te sluiten stage onder toezicht;
b. een beroepservaring gedurende een periode die gelijk is aan de ontbrekende periode, wanneer deze periode betrekking heeft op praktijkervaring opgedaan onder begeleiding van een geschoolde beroepsbeoefenaar.
3. De beroepservaring, bedoeld in artikel 3, onder c, geldt als beroepservaring als bedoeld in dit artikel.
4. Dit artikel vindt geen toepassing indien:
a. ten aanzien van aanvrager met het oog op de toelating tot het desbetreffende beroep toepassing is gegeven aan artikel 12, dan wel
b. indien voor de toelating tot het beroep een met goed gevolg afgesloten opleiding opgenomen in bijlage 2 wordt vereist en aanvrager een hoger-onderwijsopleiding onderscheidenlijk een kort-hoger-onderwijsopleiding met goed gevolg heeft afgesloten.
2. Op grond van het eerste lid kan ten hoogste vier jaren beroepservaring worden verlangd, met dien verstande dat geëist mag worden:
a. een beroepservaring gedurende een periode die het dubbele bedraagt van de ontbrekende periode, wanneer deze periode betrekking heeft op een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs dan wel op een met een examen af te sluiten stage onder toezicht;
b. een beroepservaring gedurende een periode die gelijk is aan de ontbrekende periode, wanneer deze periode betrekking heeft op praktijkervaring opgedaan onder begeleiding van een geschoolde beroepsbeoefenaar.
3. De beroepservaring, bedoeld in artikel 3, onder c, geldt als beroepservaring als bedoeld in dit artikel.
4. Dit artikel vindt geen toepassing indien:
a. ten aanzien van aanvrager met het oog op de toelating tot het desbetreffende beroep toepassing is gegeven aan artikel 12, dan wel
b. indien voor de toelating tot het beroep een met goed gevolg afgesloten opleiding opgenomen in bijlage 2 wordt vereist en aanvrager een hoger-onderwijsopleiding onderscheidenlijk een kort-hoger-onderwijsopleiding met goed gevolg heeft afgesloten.