BWBR0007321
Geldig vanaf 1995-06-30
Artikel 40
Besluit rechtspositie vrijwillige politie
1. Anders dan op eigen aanvraag, bij wijze van straf of ingevolge artikel 37of 39kan de vrijwillige ambtenaar van politie worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;
c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d. een onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;
e. een blijvende ongeschiktheid uit hoofde van ziekte of gebreken voor de vervulling van zijn ambt;
f. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
g. het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat of
h. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indiensttreding of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de vrijwillige ambtenaar van politie aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2. Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e en f wordt steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.
a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;
c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d. een onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;
e. een blijvende ongeschiktheid uit hoofde van ziekte of gebreken voor de vervulling van zijn ambt;
f. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
g. het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat of
h. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indiensttreding of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de vrijwillige ambtenaar van politie aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2. Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e en f wordt steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.