BWBR0007831
Geldig vanaf 01-01-2011
Artikel 10
Verordening op de praktijkrechtspersoon
1. De uitoefening van de rechtspraktijk binnen de praktijkrechtspersoon dient zodanig te zijn ingericht, dat door toetreding van bestuurders die geen advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep zijn, de onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid binnen de praktijkuitoefening niet in gevaar wordt of kan worden gebracht.
2. De bestuurder van de praktijkrechtspersoon, niet zijnde advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep, dient voorafgaand aan zijn benoeming aan de Raad van Toezicht over te leggen:
a. een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
b. de statuten van de praktijkrechtspersoon als ook een beknopte schriftelijke toelichting op de achtergrond van de te benoemen bestuurder en zijn beoogde rol binnen het bestuur;
c. een verklaring dat de te benoemen bestuurder niet in staat van faillissement heeft verkeerd en ten aanzien van hem de schuldsanering natuurlijke personen niet van toepassing is geweest. Deze verklaring dient, in het geval van een te benoemen bestuurder die eerder advocaat is geweest, te worden afgegeven door de raad van toezicht van het arrondissement waar hij het laatst kantoor heeft gehouden. In andere gevallen wordt de verklaring door de betrokkene zelf afgegeven.
3. Indien de in het vorige lid bedoelde te benoemen bestuurder eerder als advocaat ingeschreven is geweest dient tevens een document te worden overgelegd dat is afgegeven door de raad van toezicht van het arrondissement waarin hij het laatst kantoor heeft gehouden, waaruit blijktof hij al dan niet tuchtrechtelijk is veroordeeld, en of hem daarbij een schorsing is opgelegd of een voorziening is getroffen wegens onbehoorlijke praktijkuitoefening als bedoeld in Artikel 60b van de Advocatenwet.
4. Benoeming van een bestuurder als bedoeld in het tweede en derde lid van dit Artikel is niet toegestaan indien de te benoemen bestuurder de in dit Artikel genoemde toepasselijke documenten niet over kan leggen.
5. Benoeming is niet toegestaan van de bestuurder als bedoeld in het derde lid van dit Artikel aan wie in het verleden de tuchtrechtelijke maatregel van een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk of van schrapping van het tableau is opgelegd, dan wel wanneer hem een schorsing is opgelegd of een voorziening is getroffen wegens onbehoorlijke praktijkuitoefening als bedoeld in Artikel 60b van de Advocatenwet.
6. De Raad van Toezicht bedoeld in Artikel 1, onder h, toetst of op grond van het in het derde lid van dit Artikel genoemde document bezwaar bestaat tegen voorgenomen benoeming. Bestaat er uit hoofde van die toetsing bezwaar dan is benoeming niet toegestaan.
7. Benoeming is voorts niet toegestaan steeds indien de Raad van Toezicht als bedoeld in Artikel 1, onder h, daartegen bezwaar heeft op de voet van het eerste lid van dit Artikel.
2. De bestuurder van de praktijkrechtspersoon, niet zijnde advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep, dient voorafgaand aan zijn benoeming aan de Raad van Toezicht over te leggen:
a. een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
b. de statuten van de praktijkrechtspersoon als ook een beknopte schriftelijke toelichting op de achtergrond van de te benoemen bestuurder en zijn beoogde rol binnen het bestuur;
c. een verklaring dat de te benoemen bestuurder niet in staat van faillissement heeft verkeerd en ten aanzien van hem de schuldsanering natuurlijke personen niet van toepassing is geweest. Deze verklaring dient, in het geval van een te benoemen bestuurder die eerder advocaat is geweest, te worden afgegeven door de raad van toezicht van het arrondissement waar hij het laatst kantoor heeft gehouden. In andere gevallen wordt de verklaring door de betrokkene zelf afgegeven.
3. Indien de in het vorige lid bedoelde te benoemen bestuurder eerder als advocaat ingeschreven is geweest dient tevens een document te worden overgelegd dat is afgegeven door de raad van toezicht van het arrondissement waarin hij het laatst kantoor heeft gehouden, waaruit blijktof hij al dan niet tuchtrechtelijk is veroordeeld, en of hem daarbij een schorsing is opgelegd of een voorziening is getroffen wegens onbehoorlijke praktijkuitoefening als bedoeld in Artikel 60b van de Advocatenwet.
4. Benoeming van een bestuurder als bedoeld in het tweede en derde lid van dit Artikel is niet toegestaan indien de te benoemen bestuurder de in dit Artikel genoemde toepasselijke documenten niet over kan leggen.
5. Benoeming is niet toegestaan van de bestuurder als bedoeld in het derde lid van dit Artikel aan wie in het verleden de tuchtrechtelijke maatregel van een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk of van schrapping van het tableau is opgelegd, dan wel wanneer hem een schorsing is opgelegd of een voorziening is getroffen wegens onbehoorlijke praktijkuitoefening als bedoeld in Artikel 60b van de Advocatenwet.
6. De Raad van Toezicht bedoeld in Artikel 1, onder h, toetst of op grond van het in het derde lid van dit Artikel genoemde document bezwaar bestaat tegen voorgenomen benoeming. Bestaat er uit hoofde van die toetsing bezwaar dan is benoeming niet toegestaan.
7. Benoeming is voorts niet toegestaan steeds indien de Raad van Toezicht als bedoeld in Artikel 1, onder h, daartegen bezwaar heeft op de voet van het eerste lid van dit Artikel.
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0007831
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl