1. Behoudens het bepaalde in het tweede tot en met zesde lid zijn voor de toepassing van dit besluit burgemeester en wethouders van de gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt, het bevoegd gezag.
2. Gedeputeerde staten van de provincie waar een lozing in de bodem plaatsvindt, zijn het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft:
a. binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde of vijfde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 2.4, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag zijn;
b. van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet;
c. die plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld en ten aanzien waarvan niet ingevolge het vierde lid Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is.
3. Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens
artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheeren waarvoor krachtens
artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is.
4. Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag indien dit besluit bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 49 van de Mijnbouwwetgeheel of gedeeltelijk van toepassing wordt verklaard op mijnbouwwerken als bedoeld in
artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet, die krachtens
artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheeraangewezen inrichtingen zijn, waarvoor op grond van het bepaalde bij of krachtens
artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtOnze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is voor de verlening van een omgevingsvergunning, dan wel waarvoor een vergunning krachtens
artikel 40 van de Mijnbouwwetis vereist.
5. Met betrekking tot een lozing in de bodem in een gebied dat niet deel uitmaakt van een provincie, is het bestuursorgaan dat is aangewezen krachtens
artikel 21.5 van de Wet milieubeheer, het bevoegd gezag en worden de door dit gezag daartoe aan te wijzen ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
6. Het bestuur van het waterschap in wiens beheergebied een lozing in de bodem plaatsvindt, is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een door dat bestuur verleende vergunning als bedoeld in
artikel 6.5 van de Waterwet.