BWBR0009092
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 5
Lozingenbesluit bodembescherming
1. Het is verboden een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem - niet zijnde een bestaande lozing in de bodem - uit te voeren.
2. Het verbod geldt niet, indien de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter en tevens wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.
3. Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:
a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is, en
b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
2. Het verbod geldt niet, indien de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter en tevens wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.
3. Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:
a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is, en
b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.