BWBR0009092
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 25
Lozingenbesluit bodembescherming
1. Het is verboden een lozing van overige vloeistoffen in de bodem uit te voeren.
2. Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat:
a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en
b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage III, of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat.
3. Indien Onze Minister van Economische Zaken op grond van artikel 3, vierde lid, dient te beslissen over een besluit inzake een ontheffing, stelt hij de directeur-generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid ter zake advies uit te brengen. De directeur-generaal Milieubeheer brengt een advies uit binnen vier weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.
2. Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat:
a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en
b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage III, of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat.
3. Indien Onze Minister van Economische Zaken op grond van artikel 3, vierde lid, dient te beslissen over een besluit inzake een ontheffing, stelt hij de directeur-generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid ter zake advies uit te brengen. De directeur-generaal Milieubeheer brengt een advies uit binnen vier weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.