BWBR0009199
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 18
Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden
1. Indien de subsidie aan de gemeente met toepassing van artikel 18van de wet lager wordt vastgesteld dan de over enig subsidiejaar verleende subsidie, wordt het verschil teruggevorderd dan wel verrekend met de beschikbare subsidie over het lopende subsidiejaar.
2. Indien het bedrag van het vast budget waarop de gemeente gelet op de daarvoor geldende normbedragen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanspraak kan maken voor de gerealiseerde dienstbetrekkingen het bedrag dat de gemeente feitelijk van dat vast budget daarvoor heeft besteed, overstijgt, wordt het meerdere door het gemeentebestuur in het daarop volgende subsidiejaar bestemd in het kader van de wet of de Wet sociale werkvoorziening.
3. Door de gemeente wordt het deel van het verleende vast budget waarop in enige subsidiejaar geen aanspraak wordt gemaakt, omdat minder dienstbetrekkingen zijn gerealiseerd dan op grond van het verleende vast budget was toegestaan, toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget van het daarop volgende subsidiejaar.
4. Voorzover de gemeente de op grond van artikel 14, vierde lid, verleende aanvullende subsidie in een subsidiejaar niet heeft besteed, wordt het niet bestede subsidiebedrag teruggevorderd. Bij ministeriële regeling kan, onder bij die regeling vast te stellen voorwaarden, worden bepaald dat de niet of niet overeenkomstig artikel 14, vierde lid, bestede subsidie geheel of gedeeltelijk wordt toegevoegd aan de op grond van genoemd artikellid verleende aanvullende subsidie van het daarop volgende subsidiejaar.
5. Door de gemeente wordt het deel van het beschikbare scholings- en activeringsbudget dat niet of niet overeenkomstig de artikelen 3of 3a van de wetis besteed toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget van het daarop volgende subsidiejaar.
6. Voor zover de gemeente in een subsidiejaar meer scholings- en activeringsbudget heeft besteed dan het voor dat jaar beschikbare scholings- en activeringsbudget, wordt dat meerdere ten laste gebracht van het scholings- en activeringsbudget van het daarop volgende subsidiejaar.
7. Bij ministeriële regeling kan de in het derde of vijfde lid, “lid,” moet zijn “lid” bedoelde toevoeging, of hetgeen overeenkomstig het zesde lid ten laste wordt gebracht van het scholings- en activeringsbudget van het daarop volgende subsidiejaar, worden beperkt tot een bepaald percentage van het toegekende vast budget of scholings- en activeringsbudget, een bepaald bedrag of bepaalde gemeenten. Terugvordering dan wel verrekening van subsidie die op grond van de eerste volzin niet aan het scholings- en activeringsbudget van het volgende subsidiejaar wordt toegevoegd, vindt voorlopig plaats bij de ontvangst van het verslag over de uitvoering, bedoeld in artikel 17, zesde lid
2. Indien het bedrag van het vast budget waarop de gemeente gelet op de daarvoor geldende normbedragen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanspraak kan maken voor de gerealiseerde dienstbetrekkingen het bedrag dat de gemeente feitelijk van dat vast budget daarvoor heeft besteed, overstijgt, wordt het meerdere door het gemeentebestuur in het daarop volgende subsidiejaar bestemd in het kader van de wet of de Wet sociale werkvoorziening.
3. Door de gemeente wordt het deel van het verleende vast budget waarop in enige subsidiejaar geen aanspraak wordt gemaakt, omdat minder dienstbetrekkingen zijn gerealiseerd dan op grond van het verleende vast budget was toegestaan, toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget van het daarop volgende subsidiejaar.
4. Voorzover de gemeente de op grond van artikel 14, vierde lid, verleende aanvullende subsidie in een subsidiejaar niet heeft besteed, wordt het niet bestede subsidiebedrag teruggevorderd. Bij ministeriële regeling kan, onder bij die regeling vast te stellen voorwaarden, worden bepaald dat de niet of niet overeenkomstig artikel 14, vierde lid, bestede subsidie geheel of gedeeltelijk wordt toegevoegd aan de op grond van genoemd artikellid verleende aanvullende subsidie van het daarop volgende subsidiejaar.
5. Door de gemeente wordt het deel van het beschikbare scholings- en activeringsbudget dat niet of niet overeenkomstig de artikelen 3of 3a van de wetis besteed toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget van het daarop volgende subsidiejaar.
6. Voor zover de gemeente in een subsidiejaar meer scholings- en activeringsbudget heeft besteed dan het voor dat jaar beschikbare scholings- en activeringsbudget, wordt dat meerdere ten laste gebracht van het scholings- en activeringsbudget van het daarop volgende subsidiejaar.
7. Bij ministeriële regeling kan de in het derde of vijfde lid, “lid,” moet zijn “lid” bedoelde toevoeging, of hetgeen overeenkomstig het zesde lid ten laste wordt gebracht van het scholings- en activeringsbudget van het daarop volgende subsidiejaar, worden beperkt tot een bepaald percentage van het toegekende vast budget of scholings- en activeringsbudget, een bepaald bedrag of bepaalde gemeenten. Terugvordering dan wel verrekening van subsidie die op grond van de eerste volzin niet aan het scholings- en activeringsbudget van het volgende subsidiejaar wordt toegevoegd, vindt voorlopig plaats bij de ontvangst van het verslag over de uitvoering, bedoeld in artikel 17, zesde lid