BWBR0009267
Geldig vanaf 1997-12-31
Artikel 14
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
1. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als dagloon in de zin van die wet het dagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
2. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als vervolgdagloon in de zin van die wet het vervolgdagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
3. Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
4. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met het derde lid.
2. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als vervolgdagloon in de zin van die wet het vervolgdagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
3. Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
4. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met het derde lid.