BWBR0009798
Geldig vanaf 1998-07-29
Artikel 5
Warenwetregeling Methoden van onderzoek brood
5.1. Monstername.
5.1.1. Van broden met een hoeveelheid droge stof groter dan of gelijk aan 120 g worden ter plaatse ten minste 5 broden uit de voorraad genomen en afgewogen. Het gemiddelde gewicht van deze broden wordt bepaald en het brood waarvan het gewicht het dichtst bij het gemiddelde ligt, wordt bemonsterd.
5.1.2. Bij broodjes met een hoeveelheid droge stof kleiner dan 120 g worden uit de voorraad genomen ten minste drie groepen:
van 4 stuks elk bij broodjes met een gewicht van 60 g of meer;
van 6 stuks elk bij broodjes met een gewicht van meer dan 30 g en minder dan 60 g;
van 8 stuks elk bij broodjes met een gewicht van 30 g of minder.
Van elke groep wordt het gewicht bepaald ter plaatse van monsterneming en de gewichten genoteerd.
Een groep waarvan het gewicht het dichtst bij het gemiddelde gewicht der drie groepen ligt wordt als monster genomen.
5.2. Broden met een hoeveelheid droge stof groter dan 120 g.
5.2.1. Weeg het brood.
5.2.2. Neem een snede brood (50 ± 10 g) uit het midden van het brood of bij voorverpakt gesneden brood, stokbrood etc. zoveel sneden uit het midden van het brood, dat deze samen ongeveer 50 g wegen.
5.2.3. Verdeel de sneden in blokjes van ongeveer 1 cm 3, (roggebrood in kleinere blokjes), breng deze in de aluminium bakjes en weeg.
5.2.4. Plaats de bakjes met inhoud in de droogstoof en droog gedurende 5 à 6 uur vóór bij een temperatuur van 60 oC.
5.2.5. Droog vervolgens bij een temperatuur van 102-105 oC, koel af in de exsiccator en weeg. Herhaal deze bewerking totdat constant gewicht is verkregen.
5.3. Broodjes met een hoeveelheid droge stof kleiner dan 120 g.
5.3.1. Weeg een groep broodjes.
5.3.2. Neem van elk der broodjes een zodanige hoeveelheid dat het totaalgewicht ongeveer 50 g bedraagt; dit betekent voor broodjes met een hoeveelheid droge stof van 60-70, 30-36 en 10-25 g respectievelijk 1/4 deel, 1/6 deel en 1/8 deel per broodje.
5.1.1. Van broden met een hoeveelheid droge stof groter dan of gelijk aan 120 g worden ter plaatse ten minste 5 broden uit de voorraad genomen en afgewogen. Het gemiddelde gewicht van deze broden wordt bepaald en het brood waarvan het gewicht het dichtst bij het gemiddelde ligt, wordt bemonsterd.
5.1.2. Bij broodjes met een hoeveelheid droge stof kleiner dan 120 g worden uit de voorraad genomen ten minste drie groepen:
van 4 stuks elk bij broodjes met een gewicht van 60 g of meer;
van 6 stuks elk bij broodjes met een gewicht van meer dan 30 g en minder dan 60 g;
van 8 stuks elk bij broodjes met een gewicht van 30 g of minder.
Van elke groep wordt het gewicht bepaald ter plaatse van monsterneming en de gewichten genoteerd.
Een groep waarvan het gewicht het dichtst bij het gemiddelde gewicht der drie groepen ligt wordt als monster genomen.
5.2. Broden met een hoeveelheid droge stof groter dan 120 g.
5.2.1. Weeg het brood.
5.2.2. Neem een snede brood (50 ± 10 g) uit het midden van het brood of bij voorverpakt gesneden brood, stokbrood etc. zoveel sneden uit het midden van het brood, dat deze samen ongeveer 50 g wegen.
5.2.3. Verdeel de sneden in blokjes van ongeveer 1 cm 3, (roggebrood in kleinere blokjes), breng deze in de aluminium bakjes en weeg.
5.2.4. Plaats de bakjes met inhoud in de droogstoof en droog gedurende 5 à 6 uur vóór bij een temperatuur van 60 oC.
5.2.5. Droog vervolgens bij een temperatuur van 102-105 oC, koel af in de exsiccator en weeg. Herhaal deze bewerking totdat constant gewicht is verkregen.
5.3. Broodjes met een hoeveelheid droge stof kleiner dan 120 g.
5.3.1. Weeg een groep broodjes.
5.3.2. Neem van elk der broodjes een zodanige hoeveelheid dat het totaalgewicht ongeveer 50 g bedraagt; dit betekent voor broodjes met een hoeveelheid droge stof van 60-70, 30-36 en 10-25 g respectievelijk 1/4 deel, 1/6 deel en 1/8 deel per broodje.