BWBR0010475
Geldig vanaf 1999-07-19
Artikel 16
Besluit risico’s zware ongevallen 1999
1. De in artikel 15, derde lid, genoemde bestuursorganen en de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, beoordelen het veiligheidsrapport en stellen door tussenkomst van het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft, binnen zes maanden na de ontvangst van het veiligheidsrapport schriftelijk in kennis van hun conclusies naar aanleiding van het veiligheidsrapport.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn kan eenmaal met ten hoogste drie maanden worden verlengd. Van deze verlenging wordt door tussenkomst van het bevoegd gezag mededeling gedaan aan degene die de inrichting drijft.
3. De in het eerste lid bedoelde beoordeling vindt plaats nadat onderzocht is of het veiligheidsrapport voldoet aan artikel 10, eerste lid, aan bijlage IIIen aan het gestelde krachtens artikel 10, tweede lid.
4. Indien een van de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen of de daar bedoelde toezichthouder van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvolledig is, verzoekt dat bestuursorgaan of die toezichthouder, door tussenkomst van het bevoegd gezag, binnen acht weken na de ontvangst van het veiligheidsrapport om aanvullende inlichtingen te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken. De in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden wordt opgeschort met ingang van de dag dat het in de eerste volzin bedoelde verzoek is gedaan tot de dag waarop de aanvullende inlichtingen zijn verstrekt of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het bevoegd gezag stelt de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen en de daar bedoelde toezichthouder van het verzoek in kennis.
5. Degene aan wie een verzoek als bedoeld in het vierde lid is gedaan, is verplicht daaraan binnen de bij dat verzoek gestelde termijn te voldoen.
6. Bij de conclusies, bedoeld in het eerste lid, en het verzoek, bedoeld in het vierde lid, bewaakt en bevordert het bevoegd gezag vanuit zijn coördinerende rol de eenduidigheid, onderlinge samenhang en tijdigheid van die conclusies of dat verzoek en neemt daartoe de noodzakelijke initiatieven.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn kan eenmaal met ten hoogste drie maanden worden verlengd. Van deze verlenging wordt door tussenkomst van het bevoegd gezag mededeling gedaan aan degene die de inrichting drijft.
3. De in het eerste lid bedoelde beoordeling vindt plaats nadat onderzocht is of het veiligheidsrapport voldoet aan artikel 10, eerste lid, aan bijlage IIIen aan het gestelde krachtens artikel 10, tweede lid.
4. Indien een van de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen of de daar bedoelde toezichthouder van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvolledig is, verzoekt dat bestuursorgaan of die toezichthouder, door tussenkomst van het bevoegd gezag, binnen acht weken na de ontvangst van het veiligheidsrapport om aanvullende inlichtingen te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken. De in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden wordt opgeschort met ingang van de dag dat het in de eerste volzin bedoelde verzoek is gedaan tot de dag waarop de aanvullende inlichtingen zijn verstrekt of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het bevoegd gezag stelt de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen en de daar bedoelde toezichthouder van het verzoek in kennis.
5. Degene aan wie een verzoek als bedoeld in het vierde lid is gedaan, is verplicht daaraan binnen de bij dat verzoek gestelde termijn te voldoen.
6. Bij de conclusies, bedoeld in het eerste lid, en het verzoek, bedoeld in het vierde lid, bewaakt en bevordert het bevoegd gezag vanuit zijn coördinerende rol de eenduidigheid, onderlinge samenhang en tijdigheid van die conclusies of dat verzoek en neemt daartoe de noodzakelijke initiatieven.