BWBR0010870
Geldig vanaf 14-08-2004
Artikel 5
Zuivelverordening 2000, Gewichtsbepaling bij gebruik van rijdende melkontvangsten met volumemeetinrichting
1. De volumemeetinrichting is voorzien van:
a. een melkmeter voorzien van het wettelijk ijkmerk en waarvan de justeerinrichting door het Nederlands Meetinstituut of een daartoe door het Nederlands Meetinstituut aangewezen bevoegde instantie is verzegeld. De meter registreert zowel de hoeveelheid melk van elke melkveehouder afzonderlijk, als de totale hoeveelheid melk welke per rit ontvangen wordt. De melkmeter is voorzien van een telwerk, waarvan de afleeseenheid < 1 liter is. Het meetlichaam van de melkmeter is in een goede staat. Indien gebruik wordt gemaakt van een meter met een meetlichaam moet de nummering van het meetlichaam individueel herkenbaar zijn. Vervanging van een meetlichaam moet worden geadministreerd ten behoeve van het door het COKZ uit te voeren toezicht.
b. een luchtafscheider , met op doelmatige wijze aangebracht kijkglas of niveau-aanwijzer en met een op een duidelijk zichtbare plaats aangebrachte opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld: 1. het fabrikaat, het fabricagenummer en het jaartal van vervaardiging;
2. (bestemd voor) melk;
3. de maximale volumestroom en de maximum werkdruk;
4. de inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau. Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste tweemaal de maximaal toelaatbare fout (2%) op de kleinste ontvangsthoeveelheid van de volumemeetinrichting is. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt;
1. het fabrikaat, het fabricagenummer en het jaartal van vervaardiging;
2. (bestemd voor) melk;
3. de maximale volumestroom en de maximum werkdruk;
4. de inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau. Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste tweemaal de maximaal toelaatbare fout (2%) op de kleinste ontvangsthoeveelheid van de volumemeetinrichting is. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt;
c. een melkpomp met de bijbehorende aandrijving, welke - voor zover niet aangedreven door een elektromotor met constant toerental - door een verzegelbaar stroomregelventiel in het hydraulische systeem van de melkpomp zodanig verzegeld is, dat het niet mogelijk is de volumestroom verder op te voeren dan tot de maximaal toelaatbare volumestroom (zie artikel 4, lid 3, onder d.). Indien gebruik wordt gemaakt van dataregistratie-apparatuur behoeft een stroomregelventiel zoals hierboven bedoeld niet te zijn aangebracht, indien ten behoeve van de melkveehouder en de zuivelfabriek een duidelijke schriftelijke signalering plaatsvindt van een grotere dan de maximale volumestroom; dat wil zeggen bij overschrijding van het daarbij behorende aantal afgegeven pulsen per tijdseenheid gedurende meer dan 15 seconden.
2. De melkmeter vertoont bij het vaststellen van het aantal liters zonder luchtafscheider geen grotere fout dan plus of minus 0,2%.
3. De luchtafscheider veroorzaakt bij het vaststellen van het aantal liters melk geen gemiddelde afwijking van < - 0,15 % en > + 0,50 %.
4. De volumemeetinrichting veroorzaakt bij het vaststellen van het aantal liters melk geen gemiddelde afwijking van < - 0,35 % en > + 0,70 %.
5. De volumemeetinrichting is zodanig uitgevoerd, dat voor de desbetreffende onderdelen in elk geval de volgende voorzieningen zijn aangebracht:
A. Melkpomp Deze is: a. voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2") gemaakt, voorzien van een 2" DIN draadeind en bijbehorende blinddop, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen. Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp door middel van een hendel aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 5 lid 1 onder c.);
b. zonodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd. Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een - automatisch geregeld - lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar. De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
a. voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2") gemaakt, voorzien van een 2" DIN draadeind en bijbehorende blinddop, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen. Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp door middel van een hendel aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 5 lid 1 onder c.);
b. zonodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd. Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een - automatisch geregeld - lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar. De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
B. Luchtafscheider Deze is zo aangesloten op het leidingwerk, dat ze op eenvoudige wijze kan worden vervangen door een kortsluitleiding ten behoeve van de controle van de melkmeter. Hiertoe kunnen de toe- en afvoerleiding worden losgenomen en omgezwaaid.
C. Melkmeter Wanneer de afleesbaarheid > 0,1 liter is, zijn zodanige voorzieningen aanwezig dat tijdens controle afgelezen kan worden op < 0,1 liter.
a. een melkmeter voorzien van het wettelijk ijkmerk en waarvan de justeerinrichting door het Nederlands Meetinstituut of een daartoe door het Nederlands Meetinstituut aangewezen bevoegde instantie is verzegeld. De meter registreert zowel de hoeveelheid melk van elke melkveehouder afzonderlijk, als de totale hoeveelheid melk welke per rit ontvangen wordt. De melkmeter is voorzien van een telwerk, waarvan de afleeseenheid < 1 liter is. Het meetlichaam van de melkmeter is in een goede staat. Indien gebruik wordt gemaakt van een meter met een meetlichaam moet de nummering van het meetlichaam individueel herkenbaar zijn. Vervanging van een meetlichaam moet worden geadministreerd ten behoeve van het door het COKZ uit te voeren toezicht.
b. een luchtafscheider , met op doelmatige wijze aangebracht kijkglas of niveau-aanwijzer en met een op een duidelijk zichtbare plaats aangebrachte opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld: 1. het fabrikaat, het fabricagenummer en het jaartal van vervaardiging;
2. (bestemd voor) melk;
3. de maximale volumestroom en de maximum werkdruk;
4. de inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau. Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste tweemaal de maximaal toelaatbare fout (2%) op de kleinste ontvangsthoeveelheid van de volumemeetinrichting is. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt;
1. het fabrikaat, het fabricagenummer en het jaartal van vervaardiging;
2. (bestemd voor) melk;
3. de maximale volumestroom en de maximum werkdruk;
4. de inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau. Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste tweemaal de maximaal toelaatbare fout (2%) op de kleinste ontvangsthoeveelheid van de volumemeetinrichting is. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt;
c. een melkpomp met de bijbehorende aandrijving, welke - voor zover niet aangedreven door een elektromotor met constant toerental - door een verzegelbaar stroomregelventiel in het hydraulische systeem van de melkpomp zodanig verzegeld is, dat het niet mogelijk is de volumestroom verder op te voeren dan tot de maximaal toelaatbare volumestroom (zie artikel 4, lid 3, onder d.). Indien gebruik wordt gemaakt van dataregistratie-apparatuur behoeft een stroomregelventiel zoals hierboven bedoeld niet te zijn aangebracht, indien ten behoeve van de melkveehouder en de zuivelfabriek een duidelijke schriftelijke signalering plaatsvindt van een grotere dan de maximale volumestroom; dat wil zeggen bij overschrijding van het daarbij behorende aantal afgegeven pulsen per tijdseenheid gedurende meer dan 15 seconden.
2. De melkmeter vertoont bij het vaststellen van het aantal liters zonder luchtafscheider geen grotere fout dan plus of minus 0,2%.
3. De luchtafscheider veroorzaakt bij het vaststellen van het aantal liters melk geen gemiddelde afwijking van < - 0,15 % en > + 0,50 %.
4. De volumemeetinrichting veroorzaakt bij het vaststellen van het aantal liters melk geen gemiddelde afwijking van < - 0,35 % en > + 0,70 %.
5. De volumemeetinrichting is zodanig uitgevoerd, dat voor de desbetreffende onderdelen in elk geval de volgende voorzieningen zijn aangebracht:
A. Melkpomp Deze is: a. voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2") gemaakt, voorzien van een 2" DIN draadeind en bijbehorende blinddop, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen. Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp door middel van een hendel aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 5 lid 1 onder c.);
b. zonodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd. Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een - automatisch geregeld - lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar. De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
a. voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2") gemaakt, voorzien van een 2" DIN draadeind en bijbehorende blinddop, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen. Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp door middel van een hendel aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 5 lid 1 onder c.);
b. zonodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd. Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een - automatisch geregeld - lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar. De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
B. Luchtafscheider Deze is zo aangesloten op het leidingwerk, dat ze op eenvoudige wijze kan worden vervangen door een kortsluitleiding ten behoeve van de controle van de melkmeter. Hiertoe kunnen de toe- en afvoerleiding worden losgenomen en omgezwaaid.
C. Melkmeter Wanneer de afleesbaarheid > 0,1 liter is, zijn zodanige voorzieningen aanwezig dat tijdens controle afgelezen kan worden op < 0,1 liter.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0010870
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl