BWBR0017084
Geldig vanaf 01-05-2007
Artikel 3
Maatregelenbesluit UWV
1. Tenzij volstaan wordt met een waarschuwing, bedragen de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting opgenomen in de eerste categorie van de ZW, respectievelijk de Wet WIA, de WAZ, de Wajong, de WAO, de WW en de TW:
a. 5% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met niet meer dan 7, respectievelijk 56 kalenderdagen wordt overschreden;
b. 10% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met meer dan 7, respectievelijk 56 kalenderdagen, doch niet meer dan 28, respectievelijk 112 kalenderdagen wordt overschreden;
c. 20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken, indien het gestelde tijdstip met meer dan 28, respectievelijk 112 kalenderdagen wordt overschreden.
2. Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft, bedraagt de hoogte van de maatregel, bedoeld in het eerste lid: 2%, 5%, 10% in plaats van 5%, 10%, 20%.
3. Voor de vaststelling van het aantal kalenderdagen, bedoeld in het eerste lid, blijven ten aanzien van de verplichting, opgenomen in:
a. de eerste categorie, ten 1°, 2°, 4° tot en met 8° en 11° van de WW en de eerste categorie van de ZW, de Wet WIA, de WAZ, de Wajong, de WAO en de TW, buiten toepassing dagen, niet zijnde zaterdagen of zondagen, waarop kantoren van het UWV zijn gesloten;
b. de eerste categorie, ten 3°, van de WW, buiten toepassing dagen, niet zijnde zaterdagen of zondagen, waarop kantoren van de CWI zijn gesloten;
c. de eerste categorie van de WW, buiten toepassing dagen, waarop ingevolge die wet geen recht bestaat op een uitkering.
a. 5% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met niet meer dan 7, respectievelijk 56 kalenderdagen wordt overschreden;
b. 10% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met meer dan 7, respectievelijk 56 kalenderdagen, doch niet meer dan 28, respectievelijk 112 kalenderdagen wordt overschreden;
c. 20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken, indien het gestelde tijdstip met meer dan 28, respectievelijk 112 kalenderdagen wordt overschreden.
2. Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft, bedraagt de hoogte van de maatregel, bedoeld in het eerste lid: 2%, 5%, 10% in plaats van 5%, 10%, 20%.
3. Voor de vaststelling van het aantal kalenderdagen, bedoeld in het eerste lid, blijven ten aanzien van de verplichting, opgenomen in:
a. de eerste categorie, ten 1°, 2°, 4° tot en met 8° en 11° van de WW en de eerste categorie van de ZW, de Wet WIA, de WAZ, de Wajong, de WAO en de TW, buiten toepassing dagen, niet zijnde zaterdagen of zondagen, waarop kantoren van het UWV zijn gesloten;
b. de eerste categorie, ten 3°, van de WW, buiten toepassing dagen, niet zijnde zaterdagen of zondagen, waarop kantoren van de CWI zijn gesloten;
c. de eerste categorie van de WW, buiten toepassing dagen, waarop ingevolge die wet geen recht bestaat op een uitkering.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0017084
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl