BWBR0028368
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 5
Wet toezicht trustwezen BES
1. De Bank trekt een vergunning in:
a. wanneer de vergunninghouder zulks verzoekt;
b. wanneer de vergunninghouder is opgehouden beroeps- of bedrijfsmatig beheersdiensten te verlenen of daarmee niet is aangevangen binnen een door de Bank gestelde termijn na het verlenen van de vergunning;
c. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
d. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan zo zij vóór het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
e. indien de vergunninghouder handelt in strijd met deze wet, de Wet identificatie bij dienstverlening BES, de Wet melding ongebruikelijke transacties BES of de Sanctiewet 1977;
f. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 3, tweede lid;
g. wanneer van de vergunning misbruik of oneigenlijk gebruik wordt gemaakt;
h. wanneer de vergunninghouder of een van de beleidsbepalende personen van het betreffende trustkantoor door een binnenlandse of buitenlandse rechter veroordeeld wordt wegens een door de Bank vooraf te publiceren misdrijf.
2. Wanneer de vergunning is ingetrokken, is de vergunninghouder verplicht het verlenen van beheersdiensten onmiddellijk te staken, ongeacht een ingesteld beroep.
3. De intrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Bank bij deurwaardersexploit aan de betrokkene betekend.
a. wanneer de vergunninghouder zulks verzoekt;
b. wanneer de vergunninghouder is opgehouden beroeps- of bedrijfsmatig beheersdiensten te verlenen of daarmee niet is aangevangen binnen een door de Bank gestelde termijn na het verlenen van de vergunning;
c. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
d. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan zo zij vóór het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
e. indien de vergunninghouder handelt in strijd met deze wet, de Wet identificatie bij dienstverlening BES, de Wet melding ongebruikelijke transacties BES of de Sanctiewet 1977;
f. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 3, tweede lid;
g. wanneer van de vergunning misbruik of oneigenlijk gebruik wordt gemaakt;
h. wanneer de vergunninghouder of een van de beleidsbepalende personen van het betreffende trustkantoor door een binnenlandse of buitenlandse rechter veroordeeld wordt wegens een door de Bank vooraf te publiceren misdrijf.
2. Wanneer de vergunning is ingetrokken, is de vergunninghouder verplicht het verlenen van beheersdiensten onmiddellijk te staken, ongeacht een ingesteld beroep.
3. De intrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Bank bij deurwaardersexploit aan de betrokkene betekend.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028368
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl