BWBR0028368
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 9
Wet toezicht trustwezen BES
1. De plaatsing op een bijlage als bedoeld in de artikelen 6 of 7 wordt doorgehaald door de Bank:
a. wanneer de vergunninghouder of de geplaatste zelf zulks verzoekt;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter plaatsing op de bijlage zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan zo zij vóór het tijdstip waarop plaatsing op de bijlage is geschied zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de plaatsing zou zijn geweigerd;
d. indien blijkt dat de werkzaamheden van de geplaatste niet of niet meer voldoende betrokken zijn in het toezicht op de vergunninghouder;
e. indien zij niet meer voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
f. wanneer de vergunninghouder of een van de beleidsbepalende personen van het betreffende trustkantoor door een binnenlandse of buitenlandse rechter veroordeeld wordt wegens het witwassen van gelden, fraude, onrechtmatige verrijking ten koste van een buitengaatse onderneming, financiering van terrorisme of een ander bij ministeriële regeling aan te geven misdrijf.
2. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, dient de betrokkene onmiddellijk zijn werkzaamheden te staken, ongeacht een ingesteld beroep. De ontheffing van de buitengaatse onderneming, als bedoeld in artikel 1, onder d, blijft niettegenstaande de intrekking van de vergunning van de vergunninghouder van kracht tot 60 dagen na de datum van de intrekking van genoemde vergunning.
a. wanneer de vergunninghouder of de geplaatste zelf zulks verzoekt;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter plaatsing op de bijlage zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan zo zij vóór het tijdstip waarop plaatsing op de bijlage is geschied zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de plaatsing zou zijn geweigerd;
d. indien blijkt dat de werkzaamheden van de geplaatste niet of niet meer voldoende betrokken zijn in het toezicht op de vergunninghouder;
e. indien zij niet meer voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
f. wanneer de vergunninghouder of een van de beleidsbepalende personen van het betreffende trustkantoor door een binnenlandse of buitenlandse rechter veroordeeld wordt wegens het witwassen van gelden, fraude, onrechtmatige verrijking ten koste van een buitengaatse onderneming, financiering van terrorisme of een ander bij ministeriële regeling aan te geven misdrijf.
2. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, dient de betrokkene onmiddellijk zijn werkzaamheden te staken, ongeacht een ingesteld beroep. De ontheffing van de buitengaatse onderneming, als bedoeld in artikel 1, onder d, blijft niettegenstaande de intrekking van de vergunning van de vergunninghouder van kracht tot 60 dagen na de datum van de intrekking van genoemde vergunning.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028368
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl