BWBR0035049
Geldig vanaf 19-04-2014
Artikel 21
Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen
1. Een beoordelaar beoordeelt op grond van een persoonlijk ontwikkelingsplan of een jaarplan of de trainee naar verwachting in het derde praktijkopleidingsjaar het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar zal bereiken.
2. Een beoordelaar beoordeelt een periodieke rapportage en stelt daarbij ten minste vast of:
a. het in het periodieke rapportage verwoorde plan en de daarin uitgewerkte (leer-)doelstellingen voor de desbetreffende rapportageperiode op hoofdlijnen zijn gerealiseerd en dat afwijkingen van en aanpassingen op het plan duidelijk zijn aangegeven en gemotiveerd;
b. de werkzaamheden gedurende het opgegeven aantal uren is verricht;
c. mede op grond van het oordeel van de praktijkbegeleider bij de opdrachten de werkzaamheden goed zijn uitgevoerd, maar waarbij ook de uitzonderingen en afwijkingen zijn vermeld;
d. de werkzaamheden en de daaraan gekoppelde vaardigheden op het gewenste niveau zijn uitgevoerd respectievelijk zijn eigengemaakt;
e. de behaalde studieresultaten steeds worden vermeld en dat de gevolgen hiervan voor het verdere verloop van de praktijkopleiding in de periodieke rapportage zijn vermeld;
f. de op het vereiste niveau bereikte vaardigheden zijn verkregen in overeenstemming met het desbetreffende deel van de theoretische opleiding dan wel na voltooiing daarvan; en
g. de periodieke rapportage voldoet aan de eisen die daaraan bij en krachtens de verordening mogen worden gesteld.
3. De beoordelaar bevestigt de goedkeuring van een periodieke rapportage.
4. Als de beoordelaar de periodieke rapportage niet goedkeurt, voorziet deze de periodieke rapportage van een commentaar.
5. De trainee past een periodieke rapportage die niet door de beoordelaar is goedgekeurd, aan in overeenstemming met het commentaar van de beoordelaar en legt de rapportage binnen zes weken na ontvangst van het commentaar opnieuw ter goedkeuring voor.
2. Een beoordelaar beoordeelt een periodieke rapportage en stelt daarbij ten minste vast of:
a. het in het periodieke rapportage verwoorde plan en de daarin uitgewerkte (leer-)doelstellingen voor de desbetreffende rapportageperiode op hoofdlijnen zijn gerealiseerd en dat afwijkingen van en aanpassingen op het plan duidelijk zijn aangegeven en gemotiveerd;
b. de werkzaamheden gedurende het opgegeven aantal uren is verricht;
c. mede op grond van het oordeel van de praktijkbegeleider bij de opdrachten de werkzaamheden goed zijn uitgevoerd, maar waarbij ook de uitzonderingen en afwijkingen zijn vermeld;
d. de werkzaamheden en de daaraan gekoppelde vaardigheden op het gewenste niveau zijn uitgevoerd respectievelijk zijn eigengemaakt;
e. de behaalde studieresultaten steeds worden vermeld en dat de gevolgen hiervan voor het verdere verloop van de praktijkopleiding in de periodieke rapportage zijn vermeld;
f. de op het vereiste niveau bereikte vaardigheden zijn verkregen in overeenstemming met het desbetreffende deel van de theoretische opleiding dan wel na voltooiing daarvan; en
g. de periodieke rapportage voldoet aan de eisen die daaraan bij en krachtens de verordening mogen worden gesteld.
3. De beoordelaar bevestigt de goedkeuring van een periodieke rapportage.
4. Als de beoordelaar de periodieke rapportage niet goedkeurt, voorziet deze de periodieke rapportage van een commentaar.
5. De trainee past een periodieke rapportage die niet door de beoordelaar is goedgekeurd, aan in overeenstemming met het commentaar van de beoordelaar en legt de rapportage binnen zes weken na ontvangst van het commentaar opnieuw ter goedkeuring voor.
- Citeren als
- Art. 21
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0035049
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl