BWBR0038662
Geldig vanaf 2017-01-01
Artikel 5.16
Besluit natuurbescherming
1. Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX, titel 2, van de Natuurbeschermingswet 1998is verleend, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht.
2. Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawetis verleend, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, van het Besluit omgevingsrecht.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanhangige procedures over de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van hoofdstuk IX, titel 2, van de Natuurbeschermingswet 1998of van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de weten het Besluit omgevingsrechtbehandeld.
4. In zoverre in afwijking van het derde lid is Onze Minister bevoegd tot het geven van een verklaring van geen bedenkingen over aanvragen van omgevingsvergunning met toepassing van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
2. Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawetis verleend, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, van het Besluit omgevingsrecht.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanhangige procedures over de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van hoofdstuk IX, titel 2, van de Natuurbeschermingswet 1998of van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de weten het Besluit omgevingsrechtbehandeld.
4. In zoverre in afwijking van het derde lid is Onze Minister bevoegd tot het geven van een verklaring van geen bedenkingen over aanvragen van omgevingsvergunning met toepassing van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.