BWBR0045528
Geldig vanaf 2024-06-15
Artikel 4.30
Omgevingsregeling
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetin samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of eieren van dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden aangewezen in bijlage VIIb, onder A.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetin samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten als prooidieren voor die dieren aangewezen in bijlage VIIb, onder A en B.
3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de diersoorten aangewezen in bijlage VIIb, onder B, met het oog op de productie van dierlijke producten.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wetin samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten als prooidieren voor die dieren aangewezen in bijlage VIIb, onder A en B.
3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de diersoorten aangewezen in bijlage VIIb, onder B, met het oog op de productie van dierlijke producten.