BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 125
Pachtwet
1. De deskundige leden van de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Wet op de rechterlijk organisatieen hun plaatsvervangers worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Justitie. Zij worden genoemd raad, onderscheidenlijk plaatsvervangende raad in de pachtkamer van het gerechtshof.
2. Om te kunnen worden benoemd tot raad of plaatsvervangende raad in de pachtkamer van het gerechtshof moet men Nederlander zijn en de ouderdom van dertig jaren hebben bereikt.
3. Het bepaalde in de artikelen 116, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 118, 121 en 124 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij de toepassing van artikel 121 de president van het gerechtshof te Arnhem bevoegd is de nodige waarschuwing te doen.
2. Om te kunnen worden benoemd tot raad of plaatsvervangende raad in de pachtkamer van het gerechtshof moet men Nederlander zijn en de ouderdom van dertig jaren hebben bereikt.
3. Het bepaalde in de artikelen 116, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 118, 121 en 124 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij de toepassing van artikel 121 de president van het gerechtshof te Arnhem bevoegd is de nodige waarschuwing te doen.