BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 49a
Pachtwet
1. De pachter kan zich tot de pachtkamer wenden met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één of meer zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of één of meer van zijn pleegkinderen - of twee of meer van deze gezamenlijk - aan te merken als medepachter.
2. Het bepaalde in artikel 49, derde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van "voorgestelde pachter" telkens wordt gelezen: "voorgestelde medepachter".
2. Het bepaalde in artikel 49, derde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van "voorgestelde pachter" telkens wordt gelezen: "voorgestelde medepachter".